TOP 2009, afl. 5 - Sign. - Arrest Hoge Raad in drie effectenleasezaken
Aflevering 5, gepubliceerd op 01-07-2009 Aan de Hoge Raad zijn drie zaken over effectenlease-overeenkomsten voorgelegd. Het gaat om een KoersExtra-overeenkomst, aangeboden door Dexia Bank Nederland N.V., om Het Levob Hefboomeffect, aangeboden door Levob Bank N.V. en om een Sprintplanovereenkomst van Aegon Bank N.V. Het gaat in deze drie zaken om verschillende typen effectenlease-overeenkomsten die gemeen hebben dat met geleend geld in effecten wordt belegd. Over de lening moet rente en aflossing worden betaald. Met een relatief kleine periodieke inleg (rente en aflossing) wordt een relatief grote aandelenportefeuille aangeschaft, waarmee een relatief groot positief of negatief rendement kan worden behaald (het hefboomeffect). Dwaling In de Dexia-zaak en de Levob-zaak heeft de afnemer van het effectenleaseproduct een beroep gedaan op dwaling. Dat kwam erop neer dat de particuliere belegger zich niet heeft gerealiseerd dat een lening werd aangegaan en dat er restschuldrisico’s aan de overeenkomst kleefden. De gerechtshoven hebben dat beroep op dwaling verworpen. De Hoge Raad deelt dat oordeel. Het was voor de afnemers voldoende duidelijk dat een lening werd aangegaan, dat met het geleende geld voor risico van de afnemer werd belegd in effecten en dat het krediet met rente moest worden terugbetaald, ongeacht de waarde van de effecten bij het einde van de looptijd. Op essentiële punten was de afnemer door Dexia of Levob niet verkeerd ingelicht over de financiële risico’s. De overeenkomst blijft dus in stand. Maar dat betekent niet dat op de aanbieder van zo’n effectenleaseproduct geen bijzondere zorgplicht rust, zoals hierna wordt vermeld. Misleidende reclame In de Dexia-zaak en in de Aegon-zaak is aangevoerd dat de voor de producten gemaakte reclame misleidend was. De gerechtshoven hebben geoordeeld dat de brochures in deze zaken niet misleidend waren voor de gemiddeld geïnformeerde oplettende gewone consument, wat hier de wettelijke maatstaf is. De Hoge Raad laat dat oordeel in stand. Wet op het consumentenkrediet en het Besluit toezicht effectenverkeer In de Aegon-zaak en in de Dexia-zaak is aangevoerd dat de effectenlease-overeenkomsten niet geldig zijn wegens strijd met de Wet op het consumentenkrediet of het Besluit toezicht effectenverkeer. De Hoge Raad deelt het oordeel van de gerechtshoven dat dit niet het geval is. Bijzondere zorgplicht Kernpunt in alle drie zaken is de kwestie of op de aanbieder van een effectenleaseproduct een bijzondere zorgplicht rust om bij het aangaan van de overeenkomst indringend te waarschuwen voor de financiële risico’s, vooral het restschuldrisico. De gerechtshoven hebben geoordeeld dat op de aanbieder van een effectenleaseproduct een bijzondere zorgplicht rust die meebrengt dat de afnemer in duidelijke en niet mis te verstane bewoordingen moet worden geïnformeerd over het aan de overeenkomst verbonden restschuldrisico bij tussentijdse beëindiging. De aanbieder moet ook onderzoek doen naar de financiële draagkracht van de afnemer. De hoven hebben beslist dat Dexia, Levob en Aegon in deze gevallen zijn tekortgeschoten in die bijzondere zorgplicht. De Hoge Raad is het daarmee eens. Die bijzondere zorgplicht hangt samen met de risicovolle aard van het effectenleaseproduct dat aan een breed publiek is aangeboden. Deze zorgplicht is niet afhankelijk van de bijzondere omstandigheden van de individuele particuliere afnemer. De verplichting de afnemer indringend te waarschuwen voor het restschuldrisico strekt ertoe de afnemer te waarschuwen tegen het lichtvaardig op zich nemen van onnodige risico’s. Als de financiële positie van de afnemer destijds niet voldoende was om naar redelijke verwachting aan de betalingsverplichtingen uit de overeenkomst te voldoen, had de aanbieder moeten adviseren de overeenkomst niet aan te gaan. Deze zorgplicht gaat meestal niet zo ver dat de aanbieder verplicht kan zijn te weigeren de overeenkomst met een bepaalde afnemer te sluiten. Schadevergoeding Schending van deze zorgplichten brengt mee dat de aanbieder van het effectenleaseproduct de schade moet vergoeden. De schade die vergoed moet worden zal in het algemeen bestaan uit de restschuld en de reeds betaalde rente en aflossing. Maar de aanbieder zal in beginsel niet alle schade hoeven te vergoeden. Ook de afnemer wist of moest weten dat met geleend geld werd belegd en dat over de geldlening rente moest worden betaald en dat het geleende geld moest worden terugbetaald, ongeacht de waarde van de effecten bij verkoop. Daarom zal de afnemer een deel van de schade zelf moeten dragen. Van de restschuld zal steeds een deel voor rekening van de afnemer kunnen worden gelaten. Als de draagkracht van de afnemer destijds toereikend was om aan zijn betalingsverplichtingen uit de overeenkomst te voldoen, zullen de rente en aflossing in beginsel geheel voor rekening van de afnemer blijven. Als bij onderzoek door de aanbieder zou zijn gebleken dat de afnemer redelijkerwijs niet aan zijn betalingsverplichtingen zou hebben kunnen voldoen, zal een deel van de rente en aflossing voor zijn rekening komen. (HR 5 juni 2009, LJN BH2811, LJN BH2822, LJN BH2815)