TOP 2009, afl. 7 - Sign. - Billijke prijs Schuitema
Aflevering 7, gepubliceerd op 01-11-2009 De Ondernemingskamer komt met de deskundigen tot de conclusie dat in redelijkheid niet gezegd kan worden dat de waarde in het economisch verkeer per 22 april 2008 van de door Schuitema aan Koninklijke Ahold NV overgedragen (circa 57) winkels overeenkwam met circa € 171 miljoen. Een in redelijkheid bepaalde prijs zal circa € 100 miljoen hoger hebben te liggen. Met betrekking tot de waarde in het economisch verkeer per 22 april 2008 van de door Schuitema aan Ahold overgedragen onroerende zaken komt de Ondernemingskamer tot de conclusie dat deze in redelijkheid (per saldo) op € 91 miljoen kan worden gesteld. Voorts is de Ondernemingskamer van oordeel dat in redelijkheid niet gezegd kan worden dat aan het door Ahold als houdster van cumulatief preferente aandelen in het geplaatste kapitaal van Skipper Investment verkregen vetorecht en het optierecht per 22 april 2008 waarden in het economisch verkeer toekwamen van nihil. De Ondernemingskamer zal de geldswaarde van de door Ahold voor haar belang in Schuitema ontvangen tegenprestatie uit dien hoofde met € 5 miljoen verhogen. Uit dit een en ander volgt dat de geldswaarden van de door Ahold werkelijk voor haar belang in Schuitema ontvangen tegenprestatie niet € 514,7 miljoen bedraagt, maar € 105 miljoen meer, ofwel € 619,7 miljoen. Per verkocht aandeel Schuitema betekent dit een verhoging van € 4,10, derhalve tot € 24,21. De hiervoor vastgestelde “hoogste prijs” wordt vermoed ook onder het bod een billijke prijs te zijn, doch dit vermoeden is op de voet van art. 5:80b Wft voor weerlegging vatbaar. In het verdere verloop van de procedure zijn meer concrete omstandigheden gebleken die erop wijzen dat de “hoogste prijs” ten tijde van het uitbrengen van het openbaar bod op de aandelen Schuitema mogelijk niet (meer) als de in art. 5:80a Wft bedoelde juiste, billijke prijs kan worden beschouwd. Die omstandigheden bestaan hierin dat de deskundigen, die het mede tot hun taak mochten rekenen zich over de ondernemingswaarde van Schuitema uit te laten, hebben geconcludeerd dat, samengevat, bij de waardebepaling van de aandelen Schuitema – na effectuering van de zogenaamde CKK-transactie – de indirecte invloed van die transactie niet buiten beschouwing mag worden gelaten. Nu gebleken is dat in beginsel – alsnog – moet worden getoetst of de “hoogste prijs” de juiste, billijke prijs is, is de vraag naar de ontvankelijkheid van VEB c.s. weer actueel. Gesteld en niet betwist is dat de gemiddelde beurskoers van het aandeel Schuitema tijdens de periode van drie maanden voorafgaand aan de indiening van het verzoek € 23,03 bedroeg. In art. 5:80b lid 3 Wft is bepaald dat een verzoek als bedoeld in het eerste lid van dat artikel niet ontvankelijk is indien de “hoogste prijs” niet ten minste 10% afwijkt van de gemiddelde beurskoers tijdens eerder bedoelde periode van drie maanden. Nu een afwijking van ten minste 10% inhoudt dat de “hoogste prijs” ten minste € 2,30 meer (of minder) dan € 23,03 moet bedragen en de Ondernemingskamer de “hoogste prijs” op € 24,21 heeft gesteld, moet worden geconcludeerd dat VEB c.s. niet ontvankelijk is in dit onderdeel van haar verzoek. Het oordeel van de Ondernemingskamer houdt in (i) een verklaring voor recht dat de billijke prijs in de zin van art. 5:80a lid 2 Wft € 24,21 per gewoon aandeel Schuitema bedraagt en (ii) niet ontvankelijk verklaring van VEB c.s. in haar verzoek tot het vaststellen van een billijke prijs op de voet van art. 5:80b lid 1 Wft. (Hof Amsterdam (OK) 21 augustus 2009, ARO 2009/134)