TOP 2009, afl. 8 - Sign. - Geen doorbraak van aansprakelijkheid
Aflevering 8, gepubliceerd op 01-12-2009 X is enig aandeelhouder en bestuurder van Datelcom. Datelcom betaalde Y altijd op tijd tot in 2003. Omstreeks mei 2004 beliep de betalingsachterstand van Datelcom jegens Y ongeveer € 300.000. A, bestuurder van Y, en B, middellijk bestuurder van X, hebben over de betalingsachterstand van Datelcom overleg gevoerd. Na dit gesprek is Y aan Datelcom blijven leveren. Uiteindelijk zijn de facturen van Y tot een totaalbedrag van € 64.402,88 onbetaald gebleven. Een moedervennootschap kan jegens de crediteuren van haar dochter aansprakelijk zijn uit onrechtmatige daad indien de moeder een (zorg)plicht tot handelen had, maar dit heeft nagelaten. Om te bepalen of op de moedervennootschap een zorgplicht jegens de crediteuren van haar dochter rust, dienen alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen te worden. Het hangt uiteindelijk van de weging van de relevante omstandigheden af of de moeder jegens de crediteuren van de dochter aansprakelijk dient te zijn. Bij de beoordeling of op X als moedermaatschappij van Datelcom een zorgplicht rustte jegens Y als crediteur van Datelcom, zijn in de eerste plaats de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden van belang. Het was verder de eigen keuze van Y om na het overleg tussen A en B te blijven doorleveren aan Datelcom ondanks het feit dat deze laatste een substantiële schuld aan Y had opgebouwd, terwijl Datelcom voorheen lange tijd steeds op tijd had betaald en ondanks het feit dat Y wist "dat het niet goed ging met Datelcom" nu B dat aan A had laten weten tijdens overleg naar aanleiding van de door Datelcom opgebouwde schuld aan Y. Ook moet worden opgemerkt dat Y er na het overleg tussen A en B niet op mocht vertrouwen dat X er zorg voor zou dragen dat de (bestaande en toekomstige) facturen ter zake van leveringen aan Datelcom zouden worden voldaan. Ten slotte verschillen de in deze zaak vaststaande feiten en omstandigheden zodanig van de feiten en omstandigheden die aan de orde waren in de door Y aangehaalde uitspraken van de Hoge Raad (Albada Jelgersma II (HR 19 februari 1988, NJ 1988, 487), Securicor (HR 18 november 1994, NJ 1995, 170) en SOBI/ Hurks (HR 21 december 2001, NJ 2005, 1996)), dat die uitspraken niet zonder meer voor de onderhavige zaak van betekenis zijn. In deze zaak blijkt immers niet van een dominante invloed van de moedervennootschap van geïntimeerde in het inkoop- en betalingsbeleid van de dochtervennootschap Datelcom. Van Andel schrijft in zijn noot dat deze uitspraak vooral leert dat het leerstuk van doorbraak van aansprakelijkheid geen wondermiddel is voor crediteuren van een failliete dochter die hun gram willen halen bij de moedermaatschappij. (Hof Amsterdam 21 april 2009, LJN BI4770, «JOR» 2009/267, m.nt. mr. drs. W.J.M. van Andel)