TOP 2010, afl. 3 - Sign. - Stichting Volendam
Aflevering 3, gepubliceerd op 01-05-2010 De Stichting c.s. gronden de vordering op de stelling dat Fortis Bank onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en dat Fortis Bank de daaruit voortvloeiende schade moet vergoeden. De Stichting c.s. hebben zich daarbij gebaseerd op de arresten van het hof («JOR» 2004/110, m.nt. CMGvdK) en Hoge Raad («JOR» 2006/20). Die arresten betreffen verkregen verklaringen voor recht die uitsluitend de Stichting pro se betreffen – als belangenbehartiger van de beleggers ex art. 3:305a BW – en niet in haar hoedanigheid van cessionaris van de aan haar gecedeerde vorderingen van de beleggers. De onderhavige procedure is echter door de Stichting niet pro se ingesteld, maar door de Stichting als cessionaris van de aan haar gecedeerde vorderingen. Omdat de Stichting in de eerste procedure de belangen van de individuele eisers heeft vertegenwoordigd, het oordeel van het hof en de Hoge Raad in zoverre inhoudelijk ook op hen betrekking heeft en het hof uitdrukkelijk heeft geoordeeld dat met de gegeven verklaring voor recht nog niets is gezegd over de vraag of, en zo ja, in hoeverre Fortis Bank tevens jegens elk van de beleggers vergoedingsplichtig is voor de door hem of haar in verband met Safe Haven geleden vermogensschade, acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om het oordeel van het hof en de Hoge Raad in beginsel over te nemen en tot het hare te maken. Het hof en de Hoge Raad hebben vastgesteld dat Fortis Bank onrechtmatig heeft gehandeld jegens de beleggers doordat zij, vanaf het moment waarop zij zich realiseerde dat mogelijk in strijd met de Wte 1995 werd gehandeld, niets heeft gedaan om zich daaromtrent zekerheid te verschaffen, welke zekerheid zij zich door onderzoek had kunnen verschaffen. Daarmee heeft Fortis Bank tot het moment waarop de Rekening werd gesloten niet al datgene gedaan wat rechtens vereist was om te voorkomen dat de beleggers in die periode werden blootgesteld aan het gevaar dat Safe Haven beleggingsactiviteiten verrichtte waarvoor een vergunning, hoewel vereist krachtens de Wte 1995, ontbrak, welk gevaar zich ook heeft verwezenlijkt. Welke concrete maatregelen Fortis Bank had moeten nemen indien haar uit onderzoek zou zijn gebleken dat Safe Haven vergunningplichtig was en wanneer zij dat had moeten doen, is in de procedures bij hof en Hoge Raad niet vastgesteld. Die vraag zal derhalve in deze procedure alsnog beantwoord moeten worden. Evenmin is de vraag beantwoord of feitelijk sprake was van strijd met de Wte 1995, nu slechts geoordeeld is dat Fortis Bank gezien de twijfels over de vergunningplicht de zaak niet op zijn beloop had mogen laten. Tevens zal de vraag beantwoord moeten worden in hoeverre de door de beleggers geleden schade niet of slechts gedeeltelijk zou zijn ingetreden wanneer Fortis Bank bedoelde maatregelen wel zou hebben genomen. Vervolgens zal beoordeeld moeten worden in hoeverre de schade van elk van de afzonderlijke beleggers is beïnvloed door het niet nemen van deze maatregelen, met inbegrip van de vaststelling of bij de beleggers sprake is geweest van eigen schuld die aan de door hen geleden schade heeft bijgedragen. Tot slot geldt dat de rechtbank bij de vaststelling van eventuele schadevergoedingen niet gebonden is aan het in de eerste procedure vastgestelde bedrag dat in totaal verloren is gegaan. De rechtbank is vooralsnog van oordeel dat deskundigen moeten worden benoemd die kennis hebben van het gebied van het beoordelingskader en de werkwijze van de STE in augustus 1996. (Rb. Haarlem 9 december 2009, LJN BK6163, «JOR» 2010/44, m.nt. mr. A.J. Haasjes)