TOP 2010, afl. 4 - Sign. - Spector, handel met voorwetenschap
Aflevering 4, gepubliceerd op 01-06-2010 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitleg van art. 2 en 14 van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik). De verwijzende rechter heeft het Hof een aantal vragen voorgelegd. De vragen worden in dit arrest behandeld. In zijn tweede en derde vraag verzoekt de verwijzende rechter het Hof de betekenis van het begrip 'gebruikmaken van voorwetenschap' in de zin van art. 2 lid 1 van Richtlijn 2003/6 te verduidelijken. Deze bepaling schrijft voor dat de lidstaten de in de tweede alinea bedoelde personen (primair ingewijden) die "over voorwetenschap beschikken" verbieden "om gebruik te maken van deze voorwetenschap door, voor eigen rekening of voor rekening van derden, rechtstreeks of middellijk de financiële instrumenten waarop deze voorwetenschap betrekking heeft, te verkrijgen of te vervreemden" of om dergelijke markttransacties te pogen uit te voeren. De verwijzende rechter wenst meer specifiek te bepalen of er reeds sprake is van verboden handel met voorwetenschap zodra een primair ingewijde die over voorwetenschap beschikt, met de financiële instrumenten waarop deze voorwetenschap betrekking heeft, een markttransactie verricht dan wel of daarenboven moet zijn aangetoond dat deze persoon "welbewust" van deze voorwetenschap gebruik heeft gemaakt. Op de tweede en derde vraag moet worden geantwoord dat art. 2 lid 1 van de Richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het feit dat een in de tweede alinea van deze bepaling bedoelde persoon die over voorwetenschap beschikt, voor eigen rekening of voor rekening van derden, rechtstreeks of middellijk de financiële instrumenten waarop deze voorwetenschap betrekking heeft, verkrijgt of vervreemdt of tracht te verkrijgen of te vervreemden, inhoudt dat deze persoon van deze informatie "gebruikmaakt" in de zin van deze bepaling, onder voorbehoud van eerbiediging van de rechten van verdediging en inzonderheid van het recht om dat vermoeden te weerleggen. De vraag of deze persoon het verbod van handel met voorwetenschap heeft overtreden, moet worden onderzocht op basis van de doelstelling van deze Richtlijn, die erin bestaat de integriteit van de financiële markten te beschermen en het vertrouwen van de beleggers te vergroten, dat onder meer berust op de wetenschap dat zij met elkaar op voet van gelijkheid zullen verkeren en dat zij zullen worden beschermd tegen het ongeoorloofde gebruik van voorwetenschap. Art. 14 lid 1 van de Richtlijn moet aldus worden uitgelegd dat het economische voordeel dat uit handel met voorwetenschap wordt gehaald, een relevante factor kan zijn bij de vaststelling van een doeltreffende, evenredige en afschrikkende sanctie. De wijze van berekening van dat economische voordeel en inzonderheid de in aanmerking te nemen datum of periode zijn een zaak van nationaal recht. Ook is bepaald dat art. 14 lid 1 van de Richtlijn zo moet worden uitgelegd dat indien een lidstaat de mogelijkheid biedt om naast de in deze bepaling van de Richtlijn bedoelde administratieve sancties een strafrechtelijke geldelijke sanctie op te leggen, bij de beoordeling of de administratieve sanctie doeltreffend, evenredig en afschrikkend is, geen rekening hoeft te worden gehouden met de mogelijkheid en/of het niveau van een eventuele latere strafsanctie. (HvJ EG 23 december 2009, «JOR» 2010/70, m.nt. mr. dr. M. Nelemans)