TOP 2010, afl. 6 - Sign. - Enquête, stichting, vakvereniging en faillissement
Aflevering 6, gepubliceerd op 01-09-2010 Laureij en Hermans, respectievelijk oudbestuursvoorzitter en oud-voorzitter van de raad van commissarissen van de in mei 2009 gefailleerde stichting Meavita Nederland, wensten enkele prealabele vragen door de Ondernemingskamer beantwoord te zien, voordat zij inhoudelijk verweer zouden voeren tegen het enquêteverzoek gericht op deze (thuis)zorginstelling, zo schrijft Bartman in zijn noot. Ter terechtzitting hebben kennelijk alle overige procespartijen met deze gang van zaken ingestemd. De prealabele vragen zien op de ontvankelijkheid van de vakbond Abvakabo FNV en de voldoening van de kosten van het onderzoek, indien dit zou worden toegewezen. Het ontvankelijkheidsverweer verwijst naar het feit dat (i) de Meavitastichtingen ten tijde van het enquêteverzoek geen onderneming meer in stand hielden, zoals vereist in art. 2:344 onder b BW, (ii) de vakbond op dat moment geen leden (meer) werkzaam had bij Meavita, zoals vereist door art. 2:347 BW, en (iii) de vraag/twijfel of een concernenquête bij een samenstel van rechtspersonen waarvan ook stichtingen deel uitmaken sowieso mogelijk is. De Ondernemingskamer verwerpt alle onderdelen van het ontvankelijkheidsverweer op overtuigende wijze, waarbij zij, ter verwerping van (i) en (ii), terugvalt op "een redelijke en op de praktijk toegesneden wetstoepassing die recht doet aan de aard en strekking van het enquêterecht" (r.o. 3.4 en 3.6). Dit lijkt Bartman juist, nu een andere uitleg niet te rijmen valt met de vaste rechtspraak van Ondernemingskamer en Hoge Raad dat, gegeven de doelstellingen van het enquêterecht, het faillissement van de rechtspersoon aan een enquête niet in de weg hoeft te staan. Aldus laatstelijk HR 26 juni 2009, «JOR» 2009/192, m.nt. Van Mierlo onder «JOR» 2009/193, Ondernemingsrecht 2009-12 (Qwest c.s./VEB c.s.). Waar stichtingen zeer wel deel kunnen uitmaken van een grotere, economische eenheid onder centrale leiding, is het volgens Bartman begrijpelijk dat de Ondernemingskamer ook onderdeel (iii) van het ontvankelijkheidsverweer afwijst (r.o. 3.7). Het lijkt volgens Bartman bovendien af te stuiten op de Landis-doctrine, die leert dat aandeelhouders en werknemers, als het gaat om de ontvankelijkheid van een enquêteverzoek in een hecht concernverband, zoveel mogelijk gelijk behandeld dienen te worden: HR 4 februari 2005, «JOR» 2005/58, (Landis). Waar eenmaal vaststaat dat een onderneming wordt gevoerd met behulp van diverse rechtspersonen die, zoals de Ondernemingskamer het formuleert, "steeds deel uitmaken van dezelfde economische en organisatorische (sub)eenheid", verzet de strekking van het enquêterecht zich er tegen dat voor de ontvankelijkheid onderscheid wordt gemaakt naar de aard van de betrokken rechtspersonen (nv/bv of stichting) of naar die van de verzoeker (aandeelhouders of vakbonden). Conform de Landis-doctrine is de "economische werkelijkheid", in de ogen van de Ondernemingskamer, hier immers doorslaggevend. Hof Amsterdam (OK) 14 april 2010, «JOR» 2010/185, m.nt. prof. mr. S.M. Bartman, reeds eerder gesignaleerd in TOP 2010, p. 167 en nu in «JOR» voorzien van een noot)