TOP 2010, afl. 7 - Sign. - ASMI
Aflevering 7, gepubliceerd op 01-11-2010 Een enquêteverzoek kan, mede gelet op het bepaalde in art. 2:349 lid 1 BW, alleen betrekking hebben op feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan tot aan de datum van indiening van het verzoek, doch niet uitgesloten is dat van deze regel wordt afgeweken als daartoe in de procedure voldoende grond bestaat. In casu zijn de feiten en omstandigheden, zoals de Ondernemingskamer heeft vastgesteld, alle opgetreden in de periode dat het debat omtrent de in beider visies relevante aspecten van het beleid en de gang van zaken van ASMI met wederzijds goedvinden door partijen werd voortgezet. De Ondernemingskamer mocht beslissen dat een afwijking van de genoemde regel gerechtvaardigd was. Onwenselijke houding van (bestuur en RvC van) ASMI? Het bestuur van een vennootschap behoort bij de vervulling van zijn bij wet of statuten opgedragen taken het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming voorop te stellen en de belangen van alle betrokkenen, waaronder die van de aandeelhouders, bij zijn besluitvorming in aanmerking te nemen. De door ASMI te volgen strategie is derhalve in beginsel een aangelegenheid van het bestuur en het is aan het bestuur, onder toezicht van de RvC, te beoordelen of, en in hoeverre, het wenselijk is daarover in overleg te treden met externe aandeelhouders. Het bestuur heeft weliswaar aan de ava verantwoording af te leggen van zijn beleid, maar is, behoudens afwijkende wettelijke of statutaire regelingen, niet verplicht de ava vooraf in zijn besluitvorming te betrekken als het gaat om handelingen waartoe het bestuur bevoegd is (r.o. 4.5 resp. 4.3 van HR 13 juli 2007, «JOR» 2009/254 (ABN Amro)). Het oordeel van de Ondernemingskamer geeft op dit punt blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Rol RvC De wettelijke taakopdracht (art. 2:140 lid 2 BW) brengt niet mee dat de RvC de verplichting heeft een bemiddelende rol te vervullen bij conflicten tussen bestuur en aandeelhouders. De RvC is dienaangaande aan de aandeelhouders ook geen verantwoording verschuldigd. De RvC kan door de aandeelhouders wel worden benaderd met verzoeken om bemiddeling of anderszins en zal dan adequaat vanuit zijn eigen taakopdracht moeten handelen. Een verplichting tot actieve bemiddeling door de RvC zou, ook in een geval als het onderhavige, daarentegen op gespannen voet komen te staan met de beleidsvrijheid van de RvC bij de uitoefening van die taak. Informatieplicht jegens aandeelhouders Iedere aandeelhouder heeft, naast het recht op inlichtingen van de ava ex art. 2:107 lid 2 BW, ter vergadering zelfstandig het recht vragen te stellen – ongeacht of deze betrekking hebben op punten die op de agenda zijn vermeld – en de vennootschap dient die vragen te beantwoorden. Daarbuiten hebben aandeelhouders geen recht op het verstrekken van door hen afzonderlijk verlangde informatie. Het recht op nadere inlichtingen is een recht van de ava als orgaan van de vennootschap, verleend met het oog op vennootschappelijke rekening en verantwoording. Rol van beschermingsstichting Uitoefening door de Stichting Continuïteit van de haar verleende optie betreft niet het beleid van ASMI. Ook voor de doeleinden van het enquêterecht kan de Stichting Continuïteit daarom niet, voor zover het die uitoefening betreft, als medebeleidsbepaler van ASMI gelden, wiens handelen gegronde redenen oplevert om aan een juist beleid te twijfelen. De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de Ondernemingskamer en verwijst het geding naar de Ondernemingskamer ter verdere behandeling en beslissing. (HR 9 juli 2010, LJN BM0976, «JOR» 2010/228, m.nt. mr. M.J. van Ginneken)