TOP 2011, afl. 4 - Sign. - HR over Inter Access
Aflevering 4, gepubliceerd op 01-06-2011 Van de bevoegdheid tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen moet terughoudend gebruik worden gemaakt. De Ondernemingskamer heeft de vraag of sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid bij Inter Access Groep BV (IA Groep), die een onderzoek rechtvaardigen, reeds zonder voorbehoud bevestigend beantwoord. De Ondernemingskamer heeft een onderzoek bevolen, maar het benoemen van een onderzoeker voorlopig uitgesteld om – overeenkomstig de wens van alle partijen – eerst te bezien of de getroffen voorzieningen aan de bestaande onwenselijke situatie een einde maken, en omdat IA Groep vanwege de bestaande financiële situatie de kosten van het onderzoek maar nauwelijks kan dragen, waarbij is overwogen dat ieder van partijen op enig haar conveniërend moment aan de Ondernemingskamer kan verzoeken over te gaan tot benoeming van een onderzoeker. Deze gang van zaken is niet in strijd met het stelsel van de wet. ii. Aard en reikwijdte onmiddellijke voorzieningen De HR wijst op de Skygate-uitspraak (HR 19 oktober 2001, «JOR» 2002/5 (Skygate)) en stelt voorop dat de Ondernemingskamer op grond van art. 2:349a BW de vrijheid heeft zodanige onmiddellijke voorzieningen te treffen als zij in verband met de toestand van de rechtspersoon noodzakelijk acht, ook indien daarbij tijdelijk inbreuk wordt gemaakt op de geldende rechtsverhoudingen binnen de rechtspersoon, en dat aan het treffen van zodanige voorzieningen niet zonder meer in de weg behoeft te staan dat deze kunnen leiden tot onomkeerbare gevolgen, mits de voorziening naar haar aard een voorlopige is en bij het treffen van een zodanige voorziening voldoende rekening is gehouden met, en een billijke afweging heeft plaatsgevonden van, de belangen van de betrokken partijen. Dit brengt mee dat de Ondernemingskamer iedere voorziening van voorlopige aard mag treffen, mits met het oog op de gevolgen ervan een billijke afweging van de belangen van partijen heeft plaatsgevonden en de noodzaak van deze voorziening voldoende is gebleken. Het laatste is met name ook het geval als naar het oordeel van de Ondernemingskamer een minder ingrijpende maatregel niet effectief zou zijn. Zie ook HR 14 september 2007 («JOR» 2007/238 (Versatel)). De Ondernemingskamer mag, als aan deze voorwaarden is voldaan, ook de regel van art. 2:206 lid 1 BW dat de vennootschap slechts ingevolge een besluit van de ava na de oprichting aandelen kan uitgeven, voor zover bij de statuten geen ander orgaan is aangewezen, opzijzetten door het geven van een onmiddellijke voorziening die neerkomt op het machtigen van het bestuur tot de uitgifte van aandelen. De beslissing van de Ondernemingskamer bij wege van onmiddellijke voorziening te bepalen dat het bestuur van IA Groep bevoegd is tot het zonder besluit van de ava uitgeven van aandelen aan Rapar om conversie van de Raparlening en daarmee de voorgenomen herfinanciering mogelijk te maken zonder de medewerking van Marigot c.s., geeft geen blijk van miskenning van het hiervoor overwogene. iii. Strijd met art. 1 Eerste Protocol EVRM De cassatieklacht voert aan dat de beschikking van de Ondernemingskamer en de daarin vervatte onmiddellijke voorzieningen niet alleen in strijd zijn met het Nederlandse vennootschapsrecht, maar tevens met art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Als gevolg van die voorzieningen is een verwatering van het aandelenbezit van Marigot c.s. ontstaan, hetgeen een ontneming van eigendom dan wel een regulering van eigendom is, die slechts onder strikte condities is geoorloofd. De HR ziet dat dit betoog bij de Ondernemingskamer niet is gevoerd. Het betoog kan niet voor het eerst in cassatie aan de orde komen, aangezien het mede een onderzoek van feitelijke aard vergt, waarvoor in cassatie geen plaats is. (HR 25 februari 2011, LJN BO7067, «JOR» 2011/115, m.nt. mr. drs. A. Doorman)