TOP 2011, afl. 5 - Sign. - Concernfinanciering
Aflevering 5, gepubliceerd op 01-07-2011 De voldoening van de kredietschuld door eiseres betrof het inlossen van een eigen schuld van eiseres, nu sprake is van een door de bank verstrekt krediet aan beide vennootschappen gezamenlijk. Dit laat in beginsel de mogelijkheid van subrogatie op voet van het bepaalde in art. 6:12 BW onverlet. In dat kader wordt overwogen dat het Hof 's-Gravenhage voorafgaand aan het arrest van de Hoge Raad 18 april 2003 («JOR» 2003/160 (OGM de Lek c.s./Van de Wetering)) over een geval van concernfinanciering heeft geoordeeld dat een krediet of financiering "(...) met het doel om de binnen dat concern verrichte activiteiten te ondersteunen, in beginsel geacht moet worden direct of indirect ten voordele van alle onderdelen van het concern te strekken, tenzij blijkt van feiten en omstandigheden die tot een ander onderdeel moeten leiden. Daarbij is voor de vraag of de daaruit voortvloeiende schuld aan de financier een vennootschap aangaat, niet zozeer van belang of deze vennootschap daadwerkelijk het krediet voor de eigen activiteiten heeft aangesproken, maar of zij geacht moet worden, deel uitmakend van het concern, direct of indirect toegang tot dat krediet te hebben verkregen en of dat krediet haar in die zin ten goede is gekomen. Door de beschikbaarheid van het krediet binnen het concern kan immers ook indirect geprofiteerd worden, bijvoorbeeld indien door financiële injecties van buitenaf in andere delen van het concern kan worden geïnvesteerd, bepaalde activiteiten kunnen worden uitgebreid of andere onderdelen van het concern daarmee levensvatbaar worden gehouden en daardoor de eigen gegenereerde winsten voor andere doeleinden kunnen worden benut." Dit oordeel van het hof is niet in cassatie ter toets gekomen. De Hoge Raad heeft alleen geoordeeld dat het hof, gelet op de aldus geformuleerde maatstaf, kon aannemen dat de bewuste vennootschappen draagplichtig waren, met andere woorden dat de schuld hen aanging. Voorts heeft het hof geoordeeld dat "uit de feiten en omstandigheden, zoals aan het hof gepresenteerd, de onderlinge verhouding tussen de hoofdelijk verbonden medeschuldenaren niet kan worden vastgesteld, zodat, bij gebrek aan bewijs voor het tegendeel, op grond van de beginselen van goede trouw en solidariteit welke die onderlinge verhouding tussen de medeschuldenaren beheersen, aangenomen moet worden dat deze concernfinanciering alle partijen in het geding in voormelde zin aanging, en wel in gelijke mate." Het hiertegen gerichte cassatiemiddel heeft gefaald. In de literatuur wordt, in navolging van het hiervoor geciteerde arrest van het hof, betoogd dat niet van een al te enge opvatting dient te worden uitgegaan bij de beantwoording van de vraag wanneer een schuld iemand aangaat. Door eiseres is (mede) geprofiteerd van de beschikbaarheid van het krediet, zodat niet kan worden gesteld dat de schuld haar niet aangaat en dat zij intern niet draagplichtig is. In navolging van de laatste hiervoor geciteerde rechtsoverweging van het Hof 's-Gravenhage wordt ervan uitgegaan dat de groepsfinanciering beide kredietnemers aanging en wel in gelijke mate, derhalve ieder voor de helft. Eiseres heeft gesteld dat zij uit de failliete boedel een groter bedrag heeft ontvangen dan de helft van het door haar aan de bank voldane bedrag. Aan haar komt dan ook geen verder subrogatierecht toe. (Rb. Almelo 2 maart 2011, LJN BP7063,«JOR» 2011/166, m.nt. prof. mr. S.M. Bartman)