TOP 2011, afl. 8 - Sign. - Fiscale eenheid
Aflevering 8, gepubliceerd op 01-12-2011 Op 30 januari 2008 is een pro forma hoger beroepschrift ingediend waarin de nummers waaronder de rechtbank uitspraak heeft gedaan worden vermeld, zowel wat betreft de aansprakelijkstelling van a BV als wat betreft de aansprakelijkstelling van belanghebbende, X. Het pro forma beroepschrift vermeldt echter alleen de naam van a BV als degene namens wie hoger beroep wordt ingesteld. Na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep kon worden ingesteld, heeft de gemachtigde meegedeeld dat het pro forma hoger beroep uiteraard niet slechts betrekking heeft op a BV, maar ook op belanghebbende. Het hoger beroep namens a BV is op 3 maart 2008 ingetrokken. Het hoger beroep ingesteld namens X is gemotiveerd bij brief van 31 maart 2008. Hoewel er, gelet op de formulering van de brief van 30 januari 2008, twijfel kan bestaan of ook namens belanghebbende pro forma hoger beroep is ingesteld, kan, gelet op de omstandigheden van het geval, ervan worden uitgegaan dat het hoger beroep mede is ingesteld namens belanghebbende. In dit verband is met name van belang dat in de uitspraak van de rechtbank geen enkel onderscheid wordt gemaakt tussen de beide belanghebbenden te weten a BV en X, belanghebbende in hoger beroep. Met name in het dictum van de rechtbank wordt slechts geoordeeld dat het beroep ongegrond is, en dat de aansprakelijkstellingen voor beide tijdvakken worden gehandhaafd, zonder dat daarbij enig onderscheid naar de belanghebbenden wordt gemaakt en zonder een afzonderlijk oordeel te vellen inzake beide ingestelde beroepen. Onder deze omstandigheden moet worden aangenomen dat het hoger beroep de gehele uitspraak van de rechtbank omvat en derhalve ook namens belanghebbende hoger beroep is ingesteld. Het hoger beroep is derhalve ontvankelijk. Belanghebbende en a BV hebben nimmer voldaan aan de voorwaarden om te worden aangewezen als één ondernemer op de voet van art. 7 lid 4 Wet OB 1968. De vraag rijst of het nemen van de in art. 7 lid 4 Wet OB 1968 bedoelde beschikking tot aanwijzing van belanghebbende en a BV tot gevolg heeft dat belanghebbende op de voet van art. 43 van de IW 1990 aansprakelijk kan worden gesteld voor de aan de fiscale eenheid opgelegde naheffingsaanslag, ook indien die fiscale eenheid materieel nooit heeft bestaan. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de geldende tekst van art. 7 lid 4 Wet OB 1968 kan worden afgeleid dat aan de beschikking inzake een fiscale eenheid slechts een beperkte betekenis toekomt, namelijk het dienen van de rechtszekerheid ten behoeve van de desbetreffende ondernemers. Zij beschermt de belastingplichtigen tegen de mogelijkheid dat bij een verschil van mening tussen de inspecteur en hen over het bestaan van een fiscale eenheid en/of het tijdstip waarop deze is ingegaan, een beslechting van dat geschil in de door de inspecteur voorgestane zin tot gevolg zou hebben dat zij tegen hun wil als fiscale eenheid behandeld worden voor een periode gelegen vóór het moment waarop de inspecteur zijn standpunt ter zake bekend heeft gemaakt. De vraag is dan of het dienen van de rechtszekerheid van de desbetreffende belastingplichtigen mede inhoudt dat zij hebben te aanvaarden dat vanaf evenbedoeld moment de heffing van omzetbelasting en de aansprakelijkheid dienaangaande uitsluitend worden bepaald op basis van het bestaan van een fiscale eenheid. Een dergelijke gevolgtrekking is niet in overeenstemming met doel en strekking van de beschikking inzake de fiscale eenheid. Van het dienen van de rechtszekerheid van een ondernemer is immers geen sprake als een materieel onjuiste beschikking als zodanig tot gevolg zou hebben dat een aansprakelijkheid wordt gecreëerd die zonder de beschikking niet, of althans niet in die mate, zou hebben bestaan. Uit het vorenoverwogene wordt afgeleid dat in het onderhavige geval, waarin vast staat dat een fiscale eenheid tussen belanghebbende en a BV materieel nimmer heeft bestaan, de Ontvanger in beginsel niet kan overgaan tot de aansprakelijkstelling van belanghebbende voor ten name van de fiscale eenheid opgelegde naheffingaanslagen. (Hof Amsterdam 30 juni 2011, LJN BR0285, «JOR» 2011/317, m.nt. mr. dr. A.J. Tekstra)