TOP 2012, afl. 1 - Sign. - Piramidespel
Aflevering 1, gepubliceerd op 01-02-2012 Strijd met de wet of de goede zeden. Het hof heeft geoordeeld dat het enkele feit dat de overeengekomen rentevergoedingen als buitensporig moeten worden aangemerkt en dat die rentevergoedingen in een wanverhouding staan tot de door Y te verrichten prestaties – zo al juist – nog niet meebrengt dat daarmee de tussen X en Y gesloten overeenkomsten en de uit hoofde daarvan door X aan Y verrichte betalingen, in strijd met de goede zeden zijn. Het hof heeft ook onderzocht of sprake is van bijkomende omstandigheden die de rechtshandelingen niettemin een onzedelijke strekking geven en heeft daartoe de omstandigheden meegewogen die volgens de curator tot dat oordeel bijdragen, zoals het bestaan van een aan de zijde van X bestaande dwangpositie. in dat verband heeft het hof terecht van belang geacht of Y zich hiervan bewust is geweest of had moeten zijn. Hetzelfde geldt ten aanzien van de stelling dat de rechtshandelingen een onlosmakelijk deel uitmaakten van de oplichtingspraktijken van X en dat Y profiteerde van die oplichting. Deze omstandigheden kunnen de rechtshandelingen alleen een ongeoorloofd karakter geven als Y zich bewust was of had moeten zijn van de onzedelijke bedoelingen van X. Dit is naar het oordeel van het hof niet het geval geweest en dat oordeel houdt stand. Ongerechtvaardigde verrijking. De vordering van de curator uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking is gelet op het stelsel van de faillissementswet niet toewijsbaar. De betalingen aan verweerster betroffen immers telkens betalingen door failliet uit hoofde van de voldoening van een opeisbare schuld als bedoeld in art. 47 fw. Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 16 juni 2000 («JOR» 2000/201 (Van Dooren q.q./ ABN Amro Bank)) heeft overwogen, heeft de wetgever aan die bepaling ten grondslag gelegd dat geen redelijke rechtsgrond bestaat om degene die ontving waarop hij krachtens zijn vorderingsrecht aanspraak had, tot teruggaaf daarvan te noodzaken, en dat ook de behoeften van het verkeer meebrengen dat de schuldeiser erop mag vertrouwen dat de betaling door de schuldenaar onaantastbaar blijft, ook al geraakt de schuldenaar later, misschien zelfs kort na de betaling, in staat van faillissement. Hierop heeft de wetgever in art. 47 fw slechts twee, nauwkeurig geformuleerde, uitzonderingen gemaakt, waarvan in cassatie moet worden aangenomen dat die in het onderhavige geval niet aan de orde zijn. Dit brengt mee dat in het stelsel van de faillissementswet de benadeling van de gezamenlijke schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheid doordat de schuldenaar voor zijn faillissement betalingen aan een derde heeft verricht ter voldoening aan een opeisbare schuld, behoudens de in art. 47 fw uitdrukkelijk geregelde uitzonderingen, geen grond oplevert de derde tot teruggaaf (aan de boedel) van die betalingen te noodzaken. Zulks is van belang omdat, zoals is opgemerkt in Parl. gesch. Boek 6, p. 836, bij beantwoording van de vraag of een verrijking ongerechtvaardigd is, grote betekenis toekomt aan het stelsel van de wet, en inhoud en strekking van een wetsbepaling de verrijking kunnen rechtvaardigen. Daarom kan, gelet op het stelsel van art. 47 fw en de daaraan ten grondslag gelegde redenen zoals hiervoor weergegeven, de benadeling van de gezamenlijke schuld eisers in hun verhaalsmogelijkheden doordat failliet vóór zijn faillissement betalingen aan verweerster heeft verricht ter voldoening aan zijn verplichtingen uit de overeenkomsten met haar, door de curator niet met een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking worden bestreden; in het kader van het faillissement van failliet is de verrijking van verweerster immers, gelet op het stelsel van art. 47 fw, niet ongerechtvaardigd ten opzichte van de aldus in hun verhaalsmogelijkheden benadeelde schuldeisers. Het vorenstaande laat onverlet dat degene aan wie een opeisbare schuld is voldaan, zoals is overwogen in het arrest van 16 juni 2000, onder bijzondere omstandigheden op grond van onrechtmatig handelen jegens de boedel aansprakelijk kan zijn voor de daardoor veroorzaakte benadeling van de gezamenlijke schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheid, maar een dergelijke situatie doet zich ten aanzien van verweerster niet voor. De rechter naar wie de zaak zou worden verwezen zal dus niet tot een andere beslissing kunnen komen dan dat de vordering (ook) ter zake van ongerechtvaardigde verrijking niet toewijsbaar is. (HR 28 oktober 2011, LJN BQ5986, «JOR» 2011/387, m.nt. mr. S.R. Damminga en mr. C. Rijckenberg)