TOP 2012, afl. 3 - Sign. - Bestuur Ajax
Aflevering 3, gepubliceerd op 01-05-2012 Ajax is een beursgenoteerde vennootschap met volledig structuurregime. De grieven hebben betrekking op de vraag of het voorgenomen besluit van de RvC tot benoeming van Van Gaal en Sturkenboom tot statutair directeur en het besluit tot goedkeuring van de titulaire benoemingen ad interim van Sturkenboom en Blind geldig (niet vernietigbaar) zijn. Het enkele gegeven dat de te nemen besluiten ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor hun werkzaamheden en voor de toekomst van Ajax, maakt kreek c.s., de werknemers of opdrachtnemers van Ajax, nog niet belanghebbenden in de zin van de wet. Voor zover de vorderingen zijn ingesteld door kreek c.s., komen deze niet voor toewijzing in aanmerking. Het spreekt voor zich dat Cruijff, lid van de RvC, er een rechtens relevant belang bij heeft dat de besluiten van dit orgaan op een juiste en zorgvuldige wijze tot stand komen en dat, als daaraan niet wordt voldaan, hij van die besluiten de vernietiging kan inroepen. Aan de op 16 november genomen voorgenomen benoemingsbesluiten kleven twee ernstige totstandkomingsgebreken die deze besluiten op grond van het bepaalde in art. 2:15 BW vernietigbaar maken. in het oog springt de combinatie van de twee gebreken, én een uiterst korte oproepingstermijn én een volstrekt onvoldoende duidelijke aankondiging van de te behandelen voorgenomen besluiten. Deze combinatie maakt aannemelijk dat sprake is geweest van een vooropgezet plan om te bewerkstelligen dat een van de commissarissen (Cruijff ) op de besluitvorming van 16 november geen daadwerkelijke invloed kon uitoefenen. Voldoende aannemelijk is dat Cruijff bij de vernietiging gerechtvaardigd belang heeft en dat in een bodemprocedure de rechter het beroep op de vernietigbaarheid van de besluiten van 16 november zal honoreren. Met betrekking tot de vergadering van de RvC van 25 november waarin dezelfde besluiten op de agenda stonden, geldt dat de uitvoering van de besluiten van 16 november onmiddellijk na de vergadering, nog op dezelfde dag, zo definitief in gang is gezet dat het in redelijkheid als onmogelijk moet worden beschouwd dat op de besluiten, na onderlinge gedachtewisseling, nog teruggekomen kon worden. in het kader van de besluitvorming diende de bijeenkomst van 25 november daarom geen redelijk doel. Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat, voor zover op die bijeenkomst opnieuw besluiten zouden zijn genomen, of deze nu worden gezien als een bevestiging van de besluiten van 16 november dan wel als nieuwe besluiten, hetzij aan deze besluiten geen betekenis kan toekomen, hetzij deze besluiten evenzeer vernietigbaar zijn. Aan het betoog van Ajax c.s. dat een redelijk belang van Cruijff bij de vernietiging van de besluiten ontbreekt omdat "niet aannemelijk is dat het meestemmen van een buitengeslotene tot een andere uitkomst van de stemming geleid zou hebben" (vgl. HR 6 juli 1969, NJ 1969, 317 (Curacaosche Chinese club)) staat reeds in de weg dat voldoende aannemelijk is dat Cruijff door Ten Have c.s. bewust buiten spel is gezet. in zodanige omstandigheden zou honorering van het door Ajax c.s. verdedigde standpunt vooral in meerhoofdige organen van geringe omvang – waarin temeer geldt dat besluitvorming de vrucht van onderling overleg behoort te zijn – tot onaanvaardbare gevolgen leiden. Het hof verbiedt de commissarissen aan de voorgenomen besluiten van 16 en/of 25 november 2011 enige (verdere) uitvoering te geven, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Blanco Fernández wijst er in zijn noot onder meer op dat, wat betreft hetgeen het hof overweegt omtrent het overleg dat binnen de RvC gepleegd moet worden, er enige asymmetrie bestaat tussen de eisen die aan de meerderheid van het orgaan worden opgelegd en wat van Cruijff wordt verlangd. Aan de meerderheid wordt verweten dat zij de minderheidscommissaris de mogelijkheid tot beïnvloeding van de besluitvorming heeft ontnomen. Over Cruijff wordt overwogen dat zijn weinig coöperatieve houding de meerderheid in moeilijke omstandigheden heeft gebracht, maar dit wordt hem niet aangerekend. Op dit punt vraagt de uitspraak te veel van de meerderheid of te weinig van de minderheid, aldus Blanco Fernández (Hof Amsterdam 7 februari 2012, LJN BV3011, JOR 2012/76, m.nt. mr. J.M. Blanco Fernández)