TOP 2012, afl. 4 - Sign. - Geen afgescheiden vermogen
Aflevering 4, gepubliceerd op 01-06-2012 Als de faillissementsaanvraag van de beherend vennoot tot liquidatie dwingt, is dat een gegeven. Een later besluit tot benoeming met terugwerkende kracht kan niet genomen worden omdat het contractuele verband waarbinnen dat besluit wordt genomen (de vennootschap) al niet meer bestaat. Het notariskantoor heeft bij de potentiële commanditaire vennoten, die zich oriënteerden op een belegging in de cv's Grond- Vermogen I en II, het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat de notaris over de belangen van de commanditaire vennoten waakte. De zorgplicht van het notariskantoor strekte zich daarom uit tot de (toekomstige) commandieten. Zij waren bij de ambtsverrichtingen betrokken en daarbij onmiddellijk belanghebbende derden. Het notariskantoor heeft niet gehandeld zoals van een redelijk deskundige en redelijk handelende notaris verwacht mocht worden. Het is in ernstige mate tekort geschoten in de nakoming van haar verplichting de cliënten voor te lichten over de gekozen juridische constructie rond de cv's en heeft er daarbij blijk van gegeven een juridisch onjuist standpunt in te nemen dat uiterst risicovol was voor de commanditaire vennoten wier belangen de notaris zich behoorde aan te trekken. Bij dit alles speelt een cruciale rol de positie van de beherend vennoot van een cv die maar één beherend vennoot heeft. In het Erik Schaaper-arrest (HR 4 januari 1937, NJ 1937, 586) en het Hardy-arrest (HR 3 februari 1956, NJ 1960, 120), oordeelt de Hoge Raad dat de cv met één beherend vennoot geen van zijn vermogen afgescheiden vermogen heeft. Het notariskantoor stelt dat de Hoge Raad van deze opvatting is teruggekomen, met het arrest van 1 juli 1993 (NJ 1993, 687 (ardross Engineering CV)). Dit is echter allerminst zeker. Waar de vraag of sprake is van een afgescheiden vermogen bij de cv met één beherend vennoot van cruciaal belang is voor de positie van de stille vennoten, mocht het notariskantoor zich niet zonder meer op het standpunt stellen dat deze vraag bevestigend moest worden beantwoord. Verder zou de beherend vennoot van de cv's, die verkreeg ten behoeve van de commanditaire vennoten, pas kunnen doorleveren onder de nog in te voeren Titel 7.13 (personenvennootschappen) van het BW. De kandidaat-notaris sust zijn cliënt met de mededeling dat dit nog slechts een kwestie van tijd is en dat de cv onder de nieuwe wet zeker een afgescheiden vermogen zal hebben. Los van de vraag naar de consistentie van deze redenering, geeft de kandidaat-notaris hier blijk van een mogelijk niet onjuiste, maar wel onverantwoord optimistische kijk op het wetgevingstraject, terwijl er een situatie in stand blijft die risicovol is voor de commanditaire vennoten. De door hen als belegging gefinancierde zaken zijn immers gedurende het onzekere wetgevingstraject eigendom van de beherend vennoot. aan de hand van het vonnis bespreekt Stokkermans een aantal vragen van personenvennootschapsrecht die het faillissement van een cv met één beherend vennoot oproept, wat betreft de ontvankelijkheid van cv na het faillissement van de beherend vennoot, de liquidatie van een dergelijke cv en de vraag of herbinding van de reeds ontbonden cv mogelijk zou kunnen zijn. Ook wijst zij erop dat de rechtbank voorbij is gegaan aan het arrest HR 14 maart 2003 («JOR 2003/80 (Hovuma/ Spreeuwenberg)) waarin de Hoge Raad uitdrukkelijk heeft erkend dat een cv met één beherend vennoot een afgescheiden vermogen heeft. (Rb. Arnhem 25 januari 2012, LJN BV1907, «JOR» 2012/104, m.nt. mr. Chr.M. Stokkermans)