TOP 2014/286 - Sign. - Nogmaals de onzakelijke lening “opzij” (WFR 2014/451, E.J.W. Heithuis)
Aflevering 4, gepubliceerd op 07-06-2014 De auteur geeft nogmaals zijn visie op de gevolgen van de onzakelijke leningenjurisprudentie van de Hoge Raad voor twee zustermaatschappijen in de vennootschapsbelasting. Hij gaat tegelijk in op de inkomstenbelasting, waar de deelnemingsvrijstelling niet geldt. Eerder schreef hij hierover een artikel in WFR 2013/998, waarop P.G.H. Albert reageerde in WFR 2013/1464. Ten eerste definieert de auteur een lening ‘opzij’, die in de visie van de auteur wel degelijk ‘onzakelijk’ kan zijn. Bij twee zustermaatschappijen is de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing, zodat de vraag rijst waarom het verlies op een onzakelijk lening ‘opzij’ niet aftrekbaar zou zijn. Er zijn twee denklijnen mogelijk: het verlies op een onzakelijke lening ‘opzij’ is aftrekbaar omdat de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is, of het verlies is niet aftrekbaar omdat sprake is van een verkapte dividenduitkering gevolgd door een informele kapitaalstorting door de moedermaatschappij in de andere zustermaatschappij. De auteur meent dat het afwaarderingsverlies op de onzakelijke lening ‘opzij’ aftrekbaar is bij de zustervennootschap/schuldeiser, omdat de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is en van een verkapte dividenduitdeling/informele kapitaalstorting geen sprake is. Hij haalt BNB 1995/15 aan, waaruit volgt dat kosten niet aftrekbaar zijn wanneer ze bedrijfsvreemd zijn, ongeacht of de uitgaven ten goede komen aan de aandeelhouder. In die lijn zou overigens weer kunnen worden geoordeeld dat ook het afwaarderingsverlies op de onzakelijke lening ‘opzij’ niet aftrekbaar is. Daarna gaat de auteur in op de IB/tbs-sfeer: de onzakelijke lening ‘omlaag’ van een dga naar zijn bv, en de lening van een vader aan de bv van zijn zoon. Hierover bestaat al jurisprudentie (niet aftrekbaarheid). De auteur blijft worstelen met de vraag waarom het afwaarderingsverlies in dergelijke situaties niet aftrekbaar is. Daarna behandelt hij de transformatie van een onzakelijke leningverlies in een liquidatieverlies. Bij liquidatie van de zustervennootschap/schuldeiser, zou de moedermaatschappij effectief het onzakelijke leningverlies kunnen aftrekken van de winst.