TOP 2015/588 - Sign. - Zalco: pandrecht na vermenging aluminium (HR 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2192, «JOR» 2015/252 m.nt. mr. A. Steneker)
Aflevering 7, gepubliceerd op 10-11-2015 De vraag staat centraal of het pandrecht op vloeibaar aluminium vervalt als het alimunium wordt vermengd met vloeibaar aluminium, waarop dat pandrecht niet rust. Het hof heeft geoordeeld dat het pandrecht is vervallen. De Hoge Raad casseert en verwijst op de grond dat het hof wat de feiten betreft buiten de rechtsstrijd is getreden en geeft aanwijzingen hoe na verwijzing, na de feitelijke vaststelling, over dit vraagstuk in algemene zin dient te worden geoordeeld. De vermengingsregels van art. 5:15 BW in verbinding met art. 5:14 BW zijn van toepassing in gevallen waarin de vraag aan de orde is of een pandrecht op een zaak door vermenging is komen te vervallen, ongeacht of de bij de vermenging betrokken zaken aan verschillende eigenaars toebehoren. Art. 5:15 BW in verbinding met art. 5:14 BW kan in ieder geval worden toegepast indien een van de vermengde zaken als hoofdzaak kan worden aangemerkt. In dat geval zal het pandrecht vervallen indien het rustte op een zaak die door de vermenging bestanddeel wordt, en zal het komen te rusten op de hoofdzaak met inbegrip van de bestanddelen daarvan indien het rustte op de zaak die in het kader van de vermenging als hoofdzaak wordt aangemerkt. Voor het geval dat geen van de zaken als hoofdzaak kan worden aangewezen, bepaalt art. 5:14 lid 2 BW dat een nieuwe zaak ontstaat. Art. 5:15 BW brengt in verbinding met art. 5:14 BW in een zodanig geval mee dat van rechtswege een nieuw pandrecht ontstaat op een aandeel in de nieuwe zaak ten behoeve van degene die het pandrecht op de door vermenging tenietgegane zaak had gevestigd. Weliswaar is dit niet met zoveel woorden in de genoemde artikelen geregeld, maar het strookt met de inhoud en strekking van die bepalingen dat zij ook het hier aan de orde zijnde geval bestrijken van vermenging van gelijksoortige zaken, op één waarvan een pandrecht rust. Indien sprake is van vermenging van twee of meer roerende zaken, dient de vraag of een hoofdzaak kan worden aangewezen te worden beantwoord aan de hand van de criteria van art. 5:14 lid 3 BW. Volgens die criteria kan een hoofdzaak worden aangewezen indien de waarde van één van de zaken die van de andere aanmerkelijk overtreft of indien één van de zaken volgens verkeersopvatting als hoofdzaak kan worden beschouwd. In een geval van vermenging van gelijksoortige zaken geeft de verkeersopvatting geen bruikbaar criterium, en is dus uitsluitend beslissend of één van de zaken de andere aanmerkelijk in waarde overtreft. Mede gelet op de mogelijke rechtsgevolgen – verlies van recht – dient niet spoedig te worden aangenomen dat het waardeverschil tussen de zaken ‘aanmerkelijk’ is. En als dit waardeverschil er niet is, ontstaat de situatie van mede-eigendom of dat het pandrecht alleen op een aandeel in de zaak rust. Als er sprake is van een nieuwe zaak, ontstaat het hiervoor bedoelde pandrecht op het aandeel in de nieuwe zaak van rechtswege. Dit is niet anders in geval van een faillissement van de eigenaar van die zaak. Meer in het bijzonder brengt het aan het faillissementsrecht ten grondslag liggende fixatiebeginsel niet iets anders mee, gelet op de omstandigheid dat de hier bedoelde rechtsverkrijging van rechtswege werkt. De klachten zijn gegrond voor zover in het oordeel van het hof besloten ligt dat in geval van vermenging van zaken als de onderhavige geen pandrecht op een aandeel in de nieuwe zaak kan ontstaan.