TOP 2016/402 - Sign. - Termijnstelling bij talmende pandhouder (Voorzieningenrechter Rechtbank Oost-Brabant 21 december 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:7661 «JOR» 2016/141, m.nt. mr. L. Krieckaert)
Aflevering 5, gepubliceerd op 20-08-2016 De vraag die in deze zaak dient te worden beantwoord is of de curator, nu de in art. 58 Fw bedoelde termijn is verstreken zonder dat eiser is overgegaan tot uitoefening van zijn pandrecht, misbruik maakt van de aan hem op grond van genoemd artikel toekomende bevoegdheid door de goederen op te eisen en te verkopen. Van een zodanig misbruik kan onder meer sprake zijn indien de curator, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen zijn belang bij de uitoefening van een bevoegdheid uit hoofde van art. 58 lid 1 Fw en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening heeft kunnen komen, een en ander als bedoeld in art. 3:13 lid 2, laatste zinsnede, BW (zie HR 6 februari 2015, «JOR» 2015/309 (Welage q.q./Rabobank)). Wanneer de curator zijn bevoegdheid uit hoofde van art. 58 Fw uitoefent, zal de opbrengst van de verkoop door de curator in de faillissementsboedel vallen en zal eiser zijn positie van separatist verliezen en draagt hij bij in de algemene faillissementskosten. Wel zal hij in zijn hoedanigheid van pandhouder een recht van voorrang behouden bij de verdeling van de boedel. De curator kan met behulp van art. 58 Fw voorkomen dat hij onnodig hinder ondervindt bij de afwikkeling van het faillissement, bijvoorbeeld doordat er geen duidelijkheid is over de opbrengst uit verbonden activa van de failliet of als er door onnodig stilzitten door een separatist waarde verloren dreigt te gaan. De curator heeft bepleit dat er sprake was van een ‘talmende pandhouder’, reden waarom hij aanleiding zag de termijn ex art. 58 Fw te stellen. Deze stelling van de curator vindt echter niet direct steun in de feiten. Immers, eiser heeft al voordat de curator de termijn ex art. 58 Fw stelde, een taxatierapport laten opmaken en heeft, eveneens voordat de curator de termijn ex art. 58 Fw stelde, een geïnteresseerde koper gevonden die inmiddels de koopsom op de depotrekening van het kantoor van eisers advocaat heeft gestort. Deze feiten wijzen er eerder op dat eiser voornemens was de verpande goederen binnen afzienbare termijn te verkopen dan dat hij onnodig stil zat. Dat er sprake was van een ‘talmende pandhouder’ is dan ook onvoldoende aannemelijk. Verder blijkt uit het op verzoek van eiser opgemaakte taxatierapport wat de waarde is van de goederen waarop een volgens eiser rechtsgeldig vuistpand rust. Vaststaat dat de waarde van de goederen de vordering van eiser op de gefailleerde bij lange na niet dekt. Nu niet wordt aangenomen dat eiser als pandhouder de verkoop van de goederen onnodig heeft opgehouden en nu op basis van gegevens, die al voor de termijnstelling door de curator bekend waren, kan worden vastgesteld wat de waarde is van de goederen waarop het pandrecht waarop eiser zich beroept rust, is het de vraag of de curator er voldoende belang bij had om op 28 juli 2015 met toepassing van art. 58 Fw een termijn te stellen. Nu deze termijn is verstreken, terwijl is overwogen dat aan het belang aan de zijde van de curator bij het instellen ervan op voorhand wordt getwijfeld, dient het belang van eiser bij het behouden van zijn positie als separatist zwaarder te wegen dan het belang van de curator om de goederen op te eisen en te verkopen zodat deze in de failliete boedel vallen. Daar komt bij dat de curator voorwaardelijk ermee akkoord is gegaan dat eiser de verpande zaken verkoopt, terwijl tussen partijen vaststaat dat de afzonderlijke vorderingen van eiser en van de bank groter zijn dan de onderhandse verkoopwaarde van de zaken, zodat de boedel niet mocht verwachten enig bedrag uit de verkoop te zullen ontvangen.