TOP 2016/480 - Sign. - Prejudiciële vraag over renteaftrekbeperking binnen een Zweeds concern (Hoge Raad 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1350)
Aflevering 6, gepubliceerd op 26-09-2016 De Hoge Raad heeft, na het Mauritius-arrest (Hoge Raad 5 juni 2015, BNB 2015, 165), wederom duidelijkheid geschapen over de renteaftrekbeperking van art. 10a Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). X BV fungeert als houdstermaatschappij binnen het Zweedse L-concern. Medio 2004 geeft het L-concern aan dat ze de resterende aandelen – X houdt 71,19% van de aandelen – van de Italiaanse concernvennootschap C SpA van de Italiaanse beurs wil halen. Daartoe richt de Italiaanse adviseur E van X BV de Italiaanse vennootschap F Srl op. X BV neemt vervolgens de aandelen F Srl van E over en stort € 237 mio. om de aandelen C SpA in te kopen. Deze € 237 mio. leent X BV van B, een concernvennootschap die treasury-activiteiten verricht. De over deze lening verschuldigde rente van € 6,5 mio. brengt X BV in aftrek. De inspecteur staat aftrek van de rente op basis van art. 10a Wet Vpb niet toe. Het hof oordeelt dat X BV de rente op de lening niet in aftrek kan brengen. Ten eerste is de Hoge Raad – met betrekking tot het huidige art. 10a Wet Vpb – van mening dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat X BV niet aannemelijk maakt dat de geldlening, en de daarmee verband houdende rechtshandeling, zijn ingegeven door in overwegende mate zakelijke overwegingen. Een belastingplichtige heeft de vrijheid zijn economische belangen en financiële middelen onder te brengen in een in Nederland gevestigde vennootschap, ook al liggen aan die keuze fiscale redenen ten grondslag. Zodoende is de omstandigheid dat X BV om fiscale redenen is ingeschakeld niet van belang bij de beoordeling of is voldaan aan de dubbele zakelijkheidstoets - aan zowel de rechtshandeling als de geldlening dienen in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag te liggen – van art. 10a, lid 3, onderdeel a Wet Vpb. Ten tweede oordeelt de Hoge Raad dat de compenserendeheffingstoets moet worden toegepast op het niveau van de Zweedse topholding, waarbij deze compenserende heffing met een meer materiële toets benaderd wordt. Ten derde stelt de Hoge Raad een prejudiciële vraag met betrekking tot de mogelijke strijdigheid van art. 10a Wet Vpb met het EU-recht in het licht van het Groupe Steria-arrest (Hof van Justitie, 2 september 2015, nr. C-386/14).