TOP 2017/8 - Sign. - Gezamenlijke vennoten VOF zijn in hun hoedanigheid van vennoten partij bij overeenkomst (Gerechtshof Amsterdam 21 juni 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2384, «JOR» 2016/266,m.nt. mr. Chr.M. Stokkermans)
Aflevering 1, gepubliceerd op 11-02-2017 Een VOF sluit een overeenkomst met een derde en heeft uit dien hoofde een vordering op die derde. Vervolgens vindt bij de VOF een vennotenwissel plaats, waarbij de oude vennoten worden vervangen door nieuwe. Aan de orde is de vraag wie nu partij is bij de overeenkomst met de derde en wie diens schuldeiser is. Volgens het hof kan de VOF als zodanig geen zelfstandige contractspartij zijn bij het sluiten van een overeenkomst. De gezamenlijke vennoten zijn als zodanig, dus in hun hoedanigheid van vennoten, partij. De VOF is wel in materiële zin contractspartij. De rechten en plichten uit de ten name van de VOF gesloten overeenkomst rusten op de eenheid, die bestaat uit de vennoten gezamenlijk en die wordt aangeduid als VOF. Er is dan ook in beginsel sprake van een tweepartijenovereenkomst, waarbij aan de vennoten als collectief de rechten en plichten van het partij-zijn toekomen. Dit betekent onder andere dat de uit de overeenkomst voortvloeiende vorderingsrechten namens de VOF worden uitgeoefend door degene die, krachtens art. 17 WvK, bevoegd is haar te vertegenwoordigen. Dit neemt niet weg dat partijen ervoor kunnen kiezen om te contracteren met de vennoten persoonlijk, naast of in plaats van de VOF. Alleen als wordt afgesproken dat de vennoten in privé partij zijn, dus niet in hoedanigheid van vennoot, blijft een vennoot na zijn uittreden in beginsel partij. De hoedanigheid van vennoot was dan blijkbaar geen voorwaarde voor het partij-zijn. Een opvolgende of toetredende vennoot wordt dan geen partij, tenzij de figuur van contractsoverneming wordt gehanteerd of hij toetreedt tot de overeenkomst. Nu gesteld noch gebleken is dat Amlex inmiddels is ontbonden en vereffend, moet het er volgen het hof voor gehouden worden dat zij ook thans nog de vorderingsgerechtigde partij is. Omdat alleen de VOF in rechte kan optreden tegen vennootschapsdebiteuren zou dit betekenen dat in dit geval aan appellanten geen (eigen) vorderingsrecht toekomt. Van een overdracht van het vorderingsrecht van Amlex aan appellanten, waarvoor een akte van cessie en mededeling aan geïntimeerde zou zijn vereist, is geen sprake. De slotsom is dan ook dat moet worden vastgesteld dat appellanten ter zake van de vordering van Amlex op geïntimeerde geen (eigen) vorderingsrecht toekomt, zodat, nu Amlex in dit hoger beroep geen partij meer is, de vordering in zoverre reeds daarom niet kan worden toegewezen. De annotator merkt op dat het hof hiermee de visie omarmt waarin men de VOF opvat als een eenheid, een collectiviteit, bestaande uit de vennoten van tijd tot tijd, als zodanig. Handelen in naam van een VOF wordt gezien als handelen in naam van deze collectiviteit. Ten name van de VOF staande rechtsposities worden aan deze collectiviteit toegerekend. De VOF is hiermee geen rechtspersoon, maar wel rechtssubject en als zodanig rechtsbevoegd. De problemen die sommigen willen oplossen door aan de VOF rechtspersoonlijkheid toe te kennen, kunnen volgens de annotator met deze figuur van de rechtsbevoegde VOF al naar het geldend recht worden opgelost. Het hof levert hiermee een welkome bijdrage aan de rechtsontwikkeling, aldus de annotator.