TOP 2017/87 - Sign. - turboliquidatie (Bb 2016/89, mr. H. Koster)
Aflevering 2, gepubliceerd op 14-03-2017 Ontbinding van rechtspersonen vindt in de praktijk regelmatig plaats. Een bijzondere wijze van ontbinding betreft de turboliquidatie. In deze bijdrage ontleedt de auteur de turboliquidatie. Indien een rechtspersoon op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten meer heeft, houdt hij alsdan onmiddellijk op te bestaan. Er is dan sprake van turboliquidatie, ex art. 2:19 lid 4 BW. Zijn er wel baten, dan dient eerst vereffening plaats te vinden door een te benoemen vereffenaar. Overtreffen de schulden van een rechtspersoon de baten, dan komt faillissement in zicht. Ook als er geen baten zijn maar wel schulden, kan dat. Echter, op basis van de uitspraak van de Hoge Raad van 18 december 2015 kan een curator mogelijk verzet doen tegen faillietverklaring, waardoor teruggevallen moet worden op de ontbinding van art. 2:19 BW. Als er bijna geen activa zijn, staat het bestuur/de vereffenaar voor een moeilijke keus. Wordt faillissement aangevraagd, dan kan dat misbruik opleveren. Wordt dan gekozen voor een (turbo)ontbinding, dan zou tegengeworpen kunnen worden dat het faillissement aangevraagd had moeten worden. Maar wellicht zijn er schuldeisers te vinden die het faillissement willen aanvragen? Ten slotte, zijn er schulden, maar geen baten, dan kan de turboliquidatie worden gehanteerd. Het is volgens de auteur de vraag of dat (altijd) wenselijk is.