TOP 2017/290 - Sign. - Vernietiging huurontbindingsovereenkomst wegens faillissementspauliana (Hof Arnhem-Leeuwarden 17 mei 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:6027, «JOR» 2017/70, m.nt. mr. H.J. School)
Aflevering 4, gepubliceerd op 14-06-2017 Vanwege een huurachterstand sluiten Heineken en failliet (een café) een overeenkomst die de eerder tussen hen gesloten huurovereenkomst ontbindt. Kort daarna gaat het café failliet. Aan de orde is de vraag of de curator op goede grond deze huurontbindingsovereenkomst tussen appellante (Heineken) en gefailleerde heeft vernietigd ex art. 42 Fw. Bij de beantwoording van die vraag staat volgens het hof het volgende voorop. De huurontbindingsovereenkomst dient te worden beschouwd als een samenstel van transacties waarbij duidelijk is dat appellante niet zou hebben ingestemd met beëindiging van de huurovereenkomst per 25 januari 2013 als er niet tevens een mogelijkheid zou worden gecreëerd waardoor de vordering van appellante ter zake van achterstallige huurpenningen (voor een groot deel) zou kunnen worden voldaan, in dit geval in de vorm van een koopovereenkomst ten aanzien van de in het gehuurde aanwezige inventaris en met verrekening van de door appellante aldus verschuldigde koopprijs. In een dergelijke situatie moet bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van nadeel het totale effect van dat samenstel van transacties in aanmerking worden genomen (zie HR 19 december 2008, «JOR» 2009/172 (Curatoren Air Holland/Air Holland Finance c.s.)). De vraag of benadeling aanwezig is op het moment waarop de rechter over de vordering beslist, moet volgens het hof worden beantwoord door de hypothetische situatie waarin de schuldeisers zouden hebben verkeerd zonder de gewraakte rechtshandeling te vergelijken met de situatie waarin zij feitelijk verkeren als die handeling onaangetast blijft (HR 19 oktober 2001, «JOR» 2001/269 (Diepstraten/Gilhuis q.q.)). Bij de beantwoording van de vraag of de huurontbindingsovereenkomst in zijn geheel benadeling van de schuldeisers tot gevolg heeft, dient bezien te worden, welke situatie zou zijn ontstaan indien de huurontbindingsovereenkomst niet tot stand zou zijn gekomen. De situatie waarin de schuldeisers feitelijk verkeren als de huurontbindingsovereenkomst onaangetast blijft, is dat tegenover de vermindering van de activa wegens de verkoop van de bedrijfsinventaris een overboeking van een bedrag van € 5.390,74 door appellante aan gefailleerde heeft gestaan en dat een huurschuld van gefailleerde niet meer tot de passiva behoort. Per saldo hield gefailleerde aan de huurontbindingsovereenkomst dus € 5.390,74 over. Als gevolg van de huurontbindingsovereenkomst is niet alleen de bestaande huurschuld voldaan en nog een bedrag van € 5.390,74 aan gefailleerde ten goede gekomen, maar zijn ook de bij een faillissement te verwachten boedelschuld van € 9.784,68 exclusief BTW (huur over drie maanden opzegtermijn, zie art. 39 Fw) en bijkomende kosten vermeden. Dat maakt dat van benadeling pas sprake is, als aannemelijk zou zijn dat (in het meest waarschijnlijke geval wanneer de huurontbindingsovereenkomst niet tot stand zou zijn gekomen) de inventaris bij een verkoop in faillissement ruimschoots meer dan € 15.175,42 zou hebben opgeleverd. Pas dan zouden de gezamenlijke schuldeisers immers beter af zijn geweest als de huurontbindingsovereenkomst achterwege was gebleven. Dat dit het geval is, is niet aannemelijk. Er kan daarom niet worden aangenomen dat de schuldeisers van gefailleerde zijn benadeeld door de huurontbindingsovereenkomst, in die zin dat zij daardoor werkelijk in hun verhaalsmogelijkheden blijken te zijn beperkt, aldus het hof.