Handhaving foutief aanbieden van vuilniszakken in dit geval niet mogelijk via afvalstoffenheffing (Leiden)
ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ2726, datum uitspraak 04-10-2006, publicatiedatum 22-11-2006
Aflevering 2006, gepubliceerd op 31-12-2006 Leidse afvalstoffenheffing onverbindend. De Verordening afvalstoffenheffing 2004 van de gemeente Leiden voorziet in een afvalstoffenheffing met een algemeen tarief van nihil (art. 4, eerste lid) en daarnaast een tarief van € 97 per eenheid afval met een maximale omvang van 0,4 hl indien dit afval aan de openbare weg wordt aangeboden anders dan op de daarvoor aangewezen in de Afvalstoffenverordening 1999 aangegeven wijze, dagen, tijden en plaatsen (art. 4, tweede lid). Verweerder heeft aan eiser drie aanslagen in de afvalstoffenheffing, elk ten bedrage van € 97. De rechtbank beoordeelt eerst en ambtshalve of artikel 4, tweede lid, van de Verordening, op grond waarvan verweerder de aanslagen heeft opgelegd, verbindend is. De wetgever heeft de bevoegdheid tot het heffen van de afvalstoffenheffing aan de gemeente toegekend opdat de gemeente van iedere bewoner van een perceel ten aanzien waarvan een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt, ongeacht of hij in feite van de reinigingsdienst gebruikt maakt, een bedrag kan heffen ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente zijn verbonden aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen. De wetgever beoogde derhalve een algemene bestemmingsheffing van - in beginsel - alle huishoudens binnen de gemeente mogelijk te maken. Dit is niet het doel van de in artikel 4, tweede lid, geregelde heffing. Deze heffing is, naar blijkt uit de tekst en de daarop gegeven toelichting, integendeel een specifieke, in opbrengst en reikwijdte beperkte belasting. Het overgrote deel van de bewoners van percelen ten aanzien waarvan een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt, wordt niet in de heffing betrokken. De heffing is niet ingevoerd om het gemeentelijke beheer van huishoudelijke afvalstoffen te financieren, doch uitsluitend om een bepaalde werkwijze mogelijk te maken die tot een besparing op de algemene bestuurslasten van de gemeente moest leiden. Aldus voorziet de Verordening in een belastingheffing die de wetgever bij het toekennen aan de gemeente van de bevoegdheid tot het heffen van een afvalstoffenheffing niet voor ogen heeft gestaan. Derhalve is artikel 4, tweede lid, van de Verordening onverbindend. De aanslagen kunnen evenmin worden gegrond op artikel 4, eerste lid, van de Verordening. Nog daargelaten of een nihiltarief kan worden aangemerkt als een tarief in de zin van artikel 217 van de Gemeentewet, vloeit daaruit geen belastingschuld voort waarvoor een belastingaanslag kan worden opgelegd. Om dezelfde reden kunnen de aanslagen niet steunen op de bij de inwerkingtreding van de Verordening ingetrokken Verordening afvalstoffenheffing 2002. Deze verordening kent immers uitsluitend nihiltarieven.