Rechtbank Oost-Brabant, 2014-10-09, 14_385, ECLI:NL:RBOBR:2014:5816
ECLI:NL:RBOBR:2014:5816, datum uitspraak 09-10-2014, publicatiedatum 13-10-2014
Aflevering 2014, gepubliceerd op 31-12-2014 Eiser dient eerst na afloop van de beroepstermijn beroepsgronden in met betrekking tot de WOZ-waarde, waar hij het beroep in het beroepschrift uitdrukkelijk had beperkt tot de hoogte van de proceskosten- en rentevergoeding. Uiterlijk binnen de beroepstermijn dient vast te staan waartegen de beroepsgronden zijn gericht. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), alsmede de rechtszekerheid van de wederpartij, kan niet worden aanvaard dat de omvang van het geschil na afloop van de beroepstermijn nog wordt uitgebreid. Noch het feit dat eiser op no cure no pay-basis procedeert en voor de procedure in beroep een bedrag van € 2500,- aan rechtsbijstand verschuldigd zal zijn, noch het feit dat verweerder de hoogte van de proceskostenvergoeding in bezwaar in strijd met de bepalingen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) heeft vastgesteld, levert een bijzonder geval, als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb op, op grond waarvan een hogere dan de forfaitaire vergoeding aangewezen zou zijn.