Parket bij de Hoge Raad, 2015-06-29, 14/02510, ECLI:NL:PHR:2015:999
ECLI:NL:PHR:2015:999, datum uitspraak 29-06-2015, publicatiedatum 10-07-2015
Aflevering 2015, gepubliceerd op 31-12-2015 Belanghebbende was op 1 januari 2012 gebruiker van een tot winkel dienende onroerende zaak te [Q], gelegen in een door de gemeente aangewezen gebied (de Bedrijven Investeringszone, oftewel BI-zone) waarbinnen een gemeentelijke BIZ-bijdrage wordt geheven.Grondslag voor de heffing is de Verordening op de heffing en de invordering van een BIZ-bijdrage en op de subsidie van de BI-zone Hofkwartier 2011.Met dagtekening 31 januari 2012 heeft de directeur der Gemeentebelastingen Den Haag aan belanghebbende een aanslag in de BIZ-bijdrage voor het jaar 2012 opgelegd ten belope van € 250.Na vergeefs bezwaar tegen die aanslag heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag die het beroep gegrond heeft verklaard. De Directeur heeft vervolgens hoger beroep ingesteld bij het Hof, maar dat is door het Hof ongegrond verklaard.Het Hof heeft daartoe overwogen dat ingevolge de Experimentenwet BI-zones uitsluitend kosten van activiteiten waarmee mede een publiek belang in de openbare ruimte wordt behartigd uit de opbrengst van de BIZ-bijdrage mogen worden bestreden, het ‘publiekbelangvereiste’.Naar het oordeel van het Hof voldoen bepaalde activiteiten waarvan de kosten uit de opbrengst van de BIZ-bijdrage Hofkwartier worden bestreden, niet aan het publiekbelangvereiste.Volgens het Hof voldoen daaraan onder meer niet: Kerstverlichting (€ 30.000), Aanschaf extra kerstverlichting (€ 8.000), Evenementen (€ 10.000) en Onderhoud website (€ 3.000). Het Hof overweegt: Uit hetgeen uit de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting over deze activiteiten blijkt, leidt het Hof af dat zij eerst en vooral zijn gericht op de promotie van de in de BI-zone gevestigde winkels en horecagelegenheden in de donkere dagen van het jaar (Kerstverlichting en Aanschaf extra kerstverlichting), in het kader van Koninginnedag en andere straatfeesten (…). Het Hof is ten slotte gekomen tot het oordeel dat met het organiseren van de onderhavige promotionele activiteiten de particuliere belangen van het collectief van de ondernemers in het BIZ-gebied prevaleren boven het algemeen belang in dat gebied.Daarom heeft het Hof de Verordening onverbindend geacht, met vernietiging van de aanslag.B&W gemeente Den Haag komt tegen ‘s Hofs uitspraak thans op in cassatie onder aanvoering van twee middelen.B&W gemeente Den Haag betoogt in zijn eerste middel, kort gezegd, dat de invulling van het publiekbelangvereiste, zijnde de vraag of de activiteiten zijn gericht op het bevorderen van leefbaarheid, veiligheid, ruimtelijke kwaliteit of een ander mede publieke belang in de openbare ruimte van de BI-zone, zou zijn voorbehouden aan de gemeenteraad. De A-G is evenwel van mening dat hier volledige rechterlijke toetsing mogelijk is voor zover wet en wetsgeschiedenis daartoe voldoende duidelijke uitgangspunten en begrenzingen verschaffen.Uit de Experimentenwet en haar totstandkomingsgeschiedenis blijkt volgens de A-G dat de BIZ-bijdrage uitdrukkelijk het karakter van een bestemmingsheffing heeft. Uit zowel de tekst als de totstandkomingsgeschiedenis van de Experimentenwet blijkt volgens de A-G onmiskenbaar dat de met BIZ-bijdragen te bekostigen activiteiten moeten zijn gericht op het bevorderen van leefbaarheid, veiligheid, ruimtelijke kwaliteit of een ander mede publieke belang in de openbare ruimte van de BI-zone. Dat betekent zijns inziens dat slechts binnen die kaders gezamenlijke belangen van ondernemers in de BI-zone mogen worden gediend.Toetsing moet, naar de A-G meent, plaatsvinden per activiteit. De A-G meent dat met elke afzonderlijke activiteit het publieke belang moet zijn gediend. Als bepaalde activiteiten niet voldoen aan het publiekbelangvereiste bezegelt dit, wellicht behoudens een de minimis marge, volgens de A-G het lot van de gehele verordening, namelijk onverbindendheid.In de categorie ‘attractiviteit & gastvrijheid’ gaat het om de volgende activiteiten: ‘kerstverlichting’, ‘aanschaf extra kerstverlichting’, ‘evenementen’ en ‘onderhoud website’. Met betrekking tot deze activiteiten heeft het Hof feitelijk, en in cassatie onbestreden, geoordeeld dat deze eerst en vooral zijn gericht op de promotie van de in de BI-zone gevestigde winkels en horecagelegenheden in de donkere dagen van het jaar (…), in het kader van Koninginnedag en andere straatfeesten (…) en op het internet (…). Mede op basis daarvan komt het Hof tot het oordeel dat zij hooguit zijdelings verband houden met het publieke belang in de openbare ruimte. Mitsdien voldoen deze activiteiten niet aan het publiekbelangvereiste.Die beoordelingen lijken de A-G verweven met feitelijke beoordelingen en in lijn met de wetsgeschiedenis van de Experimentenwet. Deze heeft volgens de A-G niet ten doel de ondersteuning van promotionele activiteiten van slechts (een bepaald deel van) de in de BI-zone gevestigde ondernemers. Het eerste middel faalt.B&W gemeente Den Haag stelt in zijn tweede middel dat het Hof ten onrechte in zijn beoordeling de voorgeschiedenis heeft betrokken dat bepaalde activiteiten al eerder, nog voor de invoering van de BI-zone, vanwege een winkeliersvereniging werden verricht. Dat kan volgens de A-G, ofschoon terecht voorgesteld, niet tot cassatie leiden, nu reeds bij de behandeling van het eerste middel is geconstateerd dat in casu in aanmerkelijke mate sprake is van activiteiten welke niet voldoen aan het publiekbelangvereiste, zodat het tweede middel het lot van het eerste moet delen.De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van B&W gemeente Den Haag ongegrond dient te worden verklaard.