Parket bij de Hoge Raad, 22-12-2016, 16/00496, ECLI:NL:PHR:2016:1401
ECLI:NL:PHR:2016:1401, datum uitspraak 22-12-2016, publicatiedatum 27-01-2017
Aflevering 2016, gepubliceerd op 31-12-2016 Belanghebbende is eigenaar van een gemeubileerde vakantiewoning, zijnde een stacaravan, op het recreatieterrein van caravanpark [A], gelegen in de gemeente Oisterwijk. Krachtens de Verordening op de heffing en invordering van Forensenbelasting 2011 van de Gemeente, als gebaseerd op artikel 223 van de Gemeentewet, wordt forensenbelasting geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.Daarvan uitgaande moet de Gemeente nagaan of individuele gebruikers van het caravanpark voldoen aan die omschrijving van het belastbare feit. Voor zover dat het geval is kan de Gemeente aan die natuurlijke personen, als belastingplichtigen, een schriftuur, factuur of aanslagbiljet uitreiken.Het gemeentebestuur van Oisterwijk heeft besloten om met ingang van 2010 de forensenbelasting op een praktischer wijze te heffen. Daartoe heeft de Gemeente in het kader van de uitvoering van de forensenbelasting met een aantal exploitanten van recreatieterreinen, waaronder [A], afspraken gemaakt over de heffing van de forensenbelasting vanaf het belastingjaar 2010.Bij Convenant gesloten tussen de Gemeente en [A], is bepaald dat de exploitant van het recreatieterrein, [A], in het kader van de doelmatige uitvoering van de forensenbelasting, zoals bedoeld in artikel 64 van de AWR, de belastingplicht voor de forensenbelasting overneemt van de eigenaren van de gemeubileerde woningen op het recreatieterrein van [A]. Het is immers voor de Gemeente zeer lastig om alle adressen te achterhalen van deze eigenaren en de verhuur- en gebruikstatus bij te houden. [A] kan de heffing vervolgens zelf verrekenen met de eigenaren van de vakantieonderkomens.In artikel 4 van het Convenant, dus krachtens overeenkomst, heeft [A] de belastingplicht op zich genomen: De Exploitant verklaart, gelet op het bepaalde in artikel 64 van de AWR, voor de op zijn complex gelegen gemeubileerde woningen en vakantieonderkomens, de belastingplicht voor de forensenbelasting over te nemen van de individuele eigenaren. Hier staat geen vergoeding tegenover.Op basis van het Convenant heeft de Heffingsambtenaar aan [A] een aanslag forensenbelasting voor het jaar 2011 opgelegd. Naar aanleiding daarvan heeft [A], in lijn met het Convenant, getracht het deel van de aan haar opgelegde belastingaanslag dat op belanghebbende betrekking heeft, ad € 274, te incasseren van belanghebbende. Deze heeft echter geweigerd dat bedrag aan [A] te betalen.Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de op hem betrekking hebbende, maar aan [A] opgelegde aanslag, welke volgens belanghebbende niet had mogen worden opgelegd aan [A] als exploitant van een recreatieterrein, maar aan de individuele staanplaatshouders.De Heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar, dit niet-ontvankelijk verklaard, omdat belanghebbende niet degene is aan wie de belastingaanslag is opgelegd, zodat hem ter zake niet het rechtsmiddel van bezwaar toekomt.Het Hof heeft geoordeeld dat de wijze waarop het bedrag van € 274 hier in de belastingheffing is betrokken, niet in strijd is met het bepaalde in artikel 64 van de AWR. De onderhavige heffing is weliswaar in strijd met het in artikel 223 van de Gemeentewet en het in de Verordening bepaalde, maar die strijdigheid wordt volgens het Hof geheeld door het bepaalde in artikel 64 van de AWR. Het Hof heeft de Heffingsambtenaar in het gelijk gesteld.Belanghebbende heeft tegen de Hofuitspraak beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbendes enige middel strekt ten betoge dat het Hof artikel 64 van de AWR hier ten onrechte van toepassing heeft geacht, omdat de formele wetgever nimmer bedoeld kan hebben de heffing van belastingen als de onderhavige te verplaatsen naar een derde, die op basis van de Gemeentewet en de Verordening niet als belastingplichtige kan worden beschouwd, onder toekenning van de bevoegdheid aan deze derde om de belastingen civielrechtelijk op de verblijfshouders/forens, die belastingplichtig krachtens de Verordening is, te verhalen.De A-G is van mening dat aan belanghebbende wel het recht toekomt bezwaar te maken tegen de aan [A] opgelegde aanslag, ter voorkoming van een tekort in de rechtsbescherming. Wettelijk in immers belanghebbende de belastingplichtige.Naar de A-G meent, schept artikel 64 van de AWR weliswaar de mogelijkheid om een overeenkomstig de geldende wetgeving vastgestelde aanslag, met instemming van een ander, aan die ander op te leggen, maar niet de mogelijkheid om de basiselementen van een bepaalde heffingswet, zoals de daarin gelegen aanwijzing van de belastingplichtige, bij overeenkomst naar een ander te verleggen. Dat betekent volgens de A-G dat het middel slaagt en dat de aanslag nietig is.Overigens merkt de A-G op dat een dergelijk convenant/overeenkomst tussen een gemeente en een exploitant, ook als artikel 64 van de AWR een bepaald convenant zou dekken, geen grondslag kan bieden voor civielrechtelijk verhaal van door de exploitant betaalde forensenbelasting op de verblijfhouder. Ook is het volgens de A-G niet mogelijk om op een aan een exploitant opgelegde aanslag, invorderingsmaatregelen jegens de verblijfhouder te baseren.De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.