Parket bij de Hoge Raad, 17-04-2024, ECLI:NL:PHR:2024:434, 23/03005
Parket bij de Hoge Raad, 17-04-2024, ECLI:NL:PHR:2024:434, 23/03005
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 17 april 2024
- Datum publicatie
- 17 april 2024
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2024:434
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1079
- Zaaknummer
- 23/03005
Inhoudsindicatie
Vordering tot cassatie in het belang der wet. Is de Gecertificeerde Instelling in een procedure tussen ouders over gezag en/of omgang belanghebbende?
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03005
Zitting 17 april 2024
VORDERING TOT CASSATIE IN HET BELANG DER WET
M.L.C.C. Lückers
In de zaak
[de moeder] ,
hierna: de moeder,
tegen
[de vader] ,
hierna: de vader.
1 Inleiding
Voor cassatie in het belang der wet draag ik voor de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 10 juni 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:1691.1 De vordering stelt de vraag aan de orde of in een procedure tussen de ouders over gezag en/of omgang (op de voet van, met name, art. 1:251a, 1:253a of 1:253n resp. art. 1:377a of art. 1:377b BW) de gecertificeerde instelling die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de betrokken minderjarige(n) als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv kan worden aangemerkt.
2 Aanleiding voor de vordering
De aanleiding voor de vordering is een brief van de Expertgroep gezag en omgang van het Landelijk Overleg Vakinhoud Familie- en jeugdrecht (LOVF) van 10 mei 2022 aan de Commissie cassatie in het belang der wet.2 In deze brief is erop gewezen dat binnen de feitenrechtspraak al geruime tijd discussie bestaat over de vraag of een gecertificeerde instelling (hierna ook: GI) in zaken over gezag en omgang als belanghebbende of als informant dient te worden aangemerkt. Deze vraag is volgens de Expertgroep onderwerp geweest van uitvoerig overleg binnen verschillende vakinhoudelijke gremia van de Rechtspraak - de Expertgroep gezag en omgang, de Expertgroep jeugdrechters en het LOVF van de gerechtshoven (LOVF-hoven) - maar dit heeft niet geleid tot één landelijke lijn.
In dit verband wijs ik erop dat de landelijke procesreglementen geen houvast bieden voor de beantwoording van de aan de orde gestelde vraag. Voor de behandeling van zaken op het gebied van het personen- en familierecht door de rechtbanken zijn vanuit het LOVF acht procesreglementen opgesteld die van toepassing zijn op verschillende categorieën verzoeken.3 Op de hiervoor in 1.1 bedoelde procedures tussen ouders over gezag en/of omgang is het Procesreglement Gezag en Omgang van toepassing. Daarin is niets vermeld over de vraag wie als belanghebbende kan worden aangemerkt. In hoger beroep is op alle categorieën verzoeken het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven van toepassing.4 Ook dit reglement bevat geen bepaling over de vraag wie als belanghebbende is aan te merken.
Het LOVF-hoven heeft medio 2019 ingestemd met een interne aanbeveling voor het beantwoorden van de vraag wie in verschillende familierechtelijke procedures als belanghebbende of informant kunnen worden beschouwd. De aanbeveling is in een tabel weergegeven en wordt daarom de ‘Tabel belanghebbende(n)’ genoemd.5 Oorspronkelijk werd ten aanzien van de onderwerpen ‘ouderlijk gezag, hoofdverblijf, verhuizing, school en medische zaken’ aanbevolen de GI als informant aan te merken als de minderjarige onder toezicht staat. Ten aanzien van de onderwerpen ‘omgang en recht op informatie’ werd dezelfde aanbeveling gedaan, maar met een uitzondering: indien in een procedure over deze onderwerpen een schriftelijke aanwijzing met betrekking tot de omgang aan de orde wordt gesteld dan is de GI volgens de aanbeveling een belanghebbende.
De Expertgroep gezag en omgang vermeldt in voornoemde brief dat uit een inventarisatie binnen het LOVF-hoven is gebleken dat in de praktijk nog steeds verschillen tussen (maar ook binnen) de hoven bestaan. Zij illustreert dit aan de hand van uitspraken in gezagszaken van de hoven ‘s-Hertogenbosch en Amsterdam uit 2021 waarin beide hoven de vraag of de GI belanghebbende is wisselend hebben beantwoord.6 In omgangszaken zou de GI door de hoven nagenoeg altijd als informant worden aangemerkt, met uitzondering van het hof ’s-Hertogenbosch dat de GI voor die categorie zaken wél als belanghebbende zou aanmerken.7 Volgens de Expertgroep is het verder opvallend dat in zaken waarin de GI als informant is aangemerkt, de instelling vaak wel de gelegenheid heeft gekregen om stukken over te leggen en in één geval zelfs een verweerschrift heeft mogen indienen.
Begin 2023 heeft het LOVF-hoven ingestemd met een herziene versie van de Tabel belanghebbenden. In de herziene versie luidt de aanbeveling ten aanzien van de hiervoor in 2.5 genoemde onderwerpen: “regiebeslissing: de GI als de minderjarige onder toezicht staat (belanghebbende of informant)”. Daarmee is de eenduidige aanbeveling om de GI als informant aan te merken vervangen door, als ik het goed zie, een aanbeveling met de strekking om per zaak te beoordelen welke processuele positie de GI inneemt.8 Wel is de aanbeveling gehandhaafd om bij de onderwerpen ‘omgang en recht op informatie’ de GI als belanghebbende aan te merken indien een schriftelijke aanwijzing aan de orde wordt gesteld.
Zoals gezegd dateert de brief van de Expertgroep van 10 mei 2022 en zijn de aanbevelingen van het LOVF-hoven begin 2023 herzien. Om een globaal beeld te krijgen van hoe de hoven in de jaren 2022 en 2023 de processuele positie van de GI hebben gekwalificeerd, heb ik in de uitsprakendatabank van www.rechtspraak.nl gezocht naar in deze periode door de hoven gegeven beschikkingen in procedures tussen ouders over gezag, omgang, hoofdverblijf en zorgregeling.9 Daarbij merk ik op dat de kwalificatie als informant of belanghebbende in de regel niet in de beschikking wordt gemotiveerd. Een zeldzaam voorbeeld van een uitspraak waarin de beslissing wel is gemotiveerd vormt de beschikking van het hof ’s-Hertogenbosch van 10 juni 2021 waartegen deze vordering tot cassatie in het belang der wet is gericht. Ook is de beslissing gemotiveerd in de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 9 februari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:1232, rov. 5.2-5.3, waarin de GI ontvankelijk is verklaard in haar hoger beroep tegen een beschikking over een zorgregeling: “Het onderwerp van de zaak kan ertoe leiden dat de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene (in deze zaak GI Gelderland) zich beroept, rechtstreeks door de rechterlijke beslissing worden geraakt. Naar het oordeel van het hof betreft het contact tussen de vader en [de minderjarige 2] de kern van de ondertoezichtstelling in deze zaak, waardoor GI Gelderland, die ten tijde van het instellen van het hoger beroep nog met de uitvoering van de ondertoezichtstelling belast was, rechtstreeks in haar rechten of verplichtingen zou worden geraakt door de uitkomst van het hoger beroep, zodat zij dus op grond van voornoemd artikel als belanghebbende moet worden aangemerkt.”
Uit de beschikking valt meestal ook niet indirect op te maken waarom tot de ene of de andere kwalificatie is gekomen. Zonder volledigheid te pretenderen rijst het volgende beeld op:
- Landelijk bezien is de GI in hoger beroep ongeveer even vaak als informant en als belanghebbende aangemerkt. Als informant is de GI aangemerkt in 61 van de door mij gevonden uitspraken (17 hof Amsterdam, 13 hof Arnhem, 26 hof ’s-Hertogenbosch en 5 hof Den Haag). Als belanghebbende is de GI aangemerkt in 58 uitspraken (10 hof Amsterdam, 18 hof Arnhem, 29 hof ’s-Hertogenbosch en 1 hof Den Haag).
- Bij ieder hof wordt op dit punt wisselend geoordeeld ongeacht het onderwerp van de zaak (gezag, omgang, hoofdverblijf en/of zorgregeling). Uit de hiervoor genoemde aantallen lijkt te volgen dat het hof Amsterdam de GI verhoudingsgewijs minder vaak als belanghebbende heeft aangemerkt dan de hoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. Ten aanzien van het hof Den Haag is het niet goed mogelijk om een (voorzichtige) conclusie te trekken omdat het zoeken op uitspraken van dit hof aanzienlijk minder treffers heeft opgeleverd, kennelijk doordat minder uitspraken op rechtspraak.nl zijn gepubliceerd.
- In zaken waarin de GI wordt belast met een begeleidende- of regierol bij de uitvoering van een omgangs- of zorgregeling is in sommige uitspraken de GI als belanghebbende gekwalificeerd en in andere uitspraken als informant. Zie bijv.:
hof Amsterdam 7 maart 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:556 (GI informant, regie zorgregeling); hof Amsterdam 6 juni 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1508 (GI belanghebbende, regie omgangsregeling);
hof Arnhem-Leeuwarden 15 december 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10834 (GI is belanghebbende, regie bij uitbreiding omgangsregeling);
hof ’s-Hertogenbosch 25 mei 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1729, (GI is belanghebbende, begeleide omgangsregeling); hof ’s-Hertogenbosch 15 juni 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1879 (GI belanghebbende, begeleide omgangsregeling); hof ’s-Hertogenbosch 13 juli 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2330 (GI informant, regie omgangsregeling); hof ’s-Hertogenbosch 27 juli 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2480 (GI informant, begeleide omgangsregeling); hof ’s-Hertogenbosch 14 december 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:4156 (GI belanghebbende, regie zorgregeling); hof ’s-Hertogenbosch 21 december 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:4260 (GI informant, begeleiding verbetering oudercommunicatie);
hof Den Haag 9 november 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2276 (GI informant, regie zorgregeling).
- Als de GI als informant wordt aangemerkt dan is het niet uitzonderlijk dat haar toch wordt toegestaan om stukken in te dienen. In vrijwel alle gevallen gaat het dan om stukken die in de beschikking als een ‘brief’ of ‘bericht’ worden aangeduid; zie:
hof Amsterdam 4 januari 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:22; hof Amsterdam 29 maart 2022 ECLI:NL:GHAMS:2022:954;
hof Arnhem-Leeuwarden 3 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9339;
hof ’s-Hertogenbosch 10 maart 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:776; hof ’s-Hertogenbosch 12 mei 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1502; hof ’s-Hertogenbosch 9 februari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:489.
- In hof ’s-Hertogenbosch 30 maart 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1159, heeft de GI als informant een ‘pleitnota’ kunnen overleggen, en in de beschikkingen van hetzelfde hof van 15 juni 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1975, en 13 juli 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2319, bij brieven ook ‘producties’ c.q. ‘bijlagen’. Een uitspraak waarin is vermeld dat de GI als informant een verweerschrift heeft kunnen indienen heb ik voor wat betreft de periode 2022-2023 niet gevonden.
Wat betreft de rechtbanken heeft de Expertgroep in haar brief van 10 mei 2022 gemeld dat uit een inventarisatie is gebleken dat ongeveer de helft van de rechtbanken in gezags- en omgangszaken de GI als belanghebbende aanmerkt en de andere helft als informant, waarbij over het algemeen geen verschil wordt gemaakt naar de aard van de zaak. Volgens de Expertgroep merken de rechtbanken Noord-Holland, Den Haag, Amsterdam, Overijssel en Limburg de GI in beginsel als informant aan.10 De rechtbanken Gelderland, Noord-Nederland, Midden-Nederland, Oost-Brabant, Rotterdam, en Zeeland-West-Brabant zouden de GI veelal als belanghebbende aanmerken, al zouden er ook verschillen binnen die rechtbanken waarneembaar zijn.11 Ik heb zelf geen nader onderzoek naar de rechtspraak van de rechtbanken in de periode 2022-2023 gedaan vanwege het grote aantal uitspraken dat daarin betrokken zou moeten worden.
Zoals uit het voorgaande moge blijken, is de feitenrechtspraak tot dusver niet gekomen tot een eenduidige lijn bij het beantwoorden van de vraag welke processuele positie de GI in gezags- en omgangszaken tussen ouders inneemt. Omwille van het bevorderen van rechtseenheid en rechtszekerheid zou een richtinggevende uitspraak van de Hoge Raad over deze kwestie naar mijn mening wenselijk zijn.
3 Feiten en procesverloop
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:12
(i) De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd geweest. Zij zijn de ouders van twee minderjarige kinderen, geboren in 2007 en 2012.
(ii) De kinderen zijn met ingang van 17 augustus 2017 onder toezicht gesteld. De gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (LJ&R) is sinds 1 februari 2019 met de ondertoezichtstelling belast. De ondertoezichtstelling was ten tijde van de bestreden beschikking laatstelijk verlengd tot 17 augustus 2021.
(iii) De kinderen wonen sinds juni 2017 bij de vader. Dit was aanvankelijk op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader. Bij beschikking van 16 februari 2018 is bepaald dat de kinderen voortaan hun hoofdverblijfplaats bij de vader zullen hebben.
(iv) De ouders oefenden gezamenlijk het gezag over de kinderen uit.
De vader heeft bij verzoekschrift, ontvangen ter griffie op 25 januari 2019, de rechtbank Zeeland-West Brabant verzocht op de voet van art. 1:253n BW het gezamenlijk gezag over de kinderen te beëindigen en te bepalen dat dit gezag alleen aan de vader toekomt. De moeder heeft verweer gevoerd. De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 31 juli 2019 en 30 januari 2020 in aanwezigheid van, onder anderen, LJ&R. In de van deze zittingen opgemaakte processen-verbaal is LJ&R door de rechtbank als belanghebbende aangemerkt. Bij beschikking van 20 februari 2020 heeft de rechtbank het verzoek van de vader toegewezen. Ook in deze beschikking is LJ&R als belanghebbende aangemerkt.
De moeder heeft van deze beschikking hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. De vader heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.
In een brief aan het hof van 19 oktober 2020 schrijft LJ&R dat zij via de griffie heeft vernomen dat het hof haar niet als belanghebbende maar als informant aanmerkt. LJ&R maakt hiertegen bezwaar en merkt daartoe het volgende op:
“LJ&R stelt daarbij voorop dat zij in een soortgelijke procedure die recent aanhangig is geweest bij uw Hof wel als belanghebbende is aangemerkt (zaaknummer 200.270.314/01). Het is voor LJ&R niet navolgbaar waarom zij in die procedure betreffende het gezag tussen ouders wel als belanghebbende is aangemerkt en in de onderhavige procedure niet.
LJ&R is in de eerste plaats van mening dat, om het Hof van een passende toelichting en van de meest recente en adequate informatie te kunnen voorzien, het van belang is om van de inhoud van de processtukken op de hoogte te zijn en te weten op welke punten informatie gewenst wordt van LJ&R. Een afschrift van het beroepschrift en de eventuele andere processtukken is hiervoor in ieder geval van belang.
Ook ziet LJ&R het als haar taak om de minderjarigen in het kader van de procedure ondersteuning en begeleiding te bieden. In dit verband is het eveneens noodzakelijk dat LJ&R over voornoemde informatie beschikt.
LJ&R stelt zich tenslotte op het standpunt dat het voor een goede uitvoering van haar wettelijke opdracht toe te zien op de minderjarigen en ouders hulp en steun te bieden, als van de wettelijke mogelijkheden gebruik te kunnen maken die LJ&R tot haar beschikking heeft staan, het noodzakelijk is geïnformeerd te worden over rechterlijke uitspraken die genomen worden in gezagsprocedures. De rechten en plichten van wederzijdse ouders als van LJ&R hangen immers samen met de uitspraak in een gezagsprocedure. Tevens vormen mede de uitspraken in gezagskwesties het kader waarin LJ&R haar beleid in een gezin vormgeeft.
LJ&R acht het niet de taak van de ouders om LJ&R hierover te informeren, maar acht een zelfstandige positie hierin van belang. Ook om de minderjarigen na de uitspraak van uw Hof te informeren en de ondersteunen is het van belang dat LJ&R op hetzelfde moment kennis kan nemen van de beschikking van uw Hof en hierin niet afhankelijk dient te zijn van het verstrekken van de beschikking door één van de ouders.”
Het hof heeft LJ&R als informant laten oproepen voor de mondelinge behandeling, die op 30 april 2021 heeft plaatsgevonden. Bij die gelegenheid is LJ&R gehoord.13 Hieraan voorafgaand heeft LJ&R in een brief aan het hof van 19 april 2021 een toelichting gegeven op de stand van zaken bij de hulpverlening, het contact tussen de kinderen en hun ouders en de samenwerking tussen en met de ouders. LJ&R concludeerde dat het in het belang van de kinderen is om de situatie te handhaven zoals deze is, waarbij de moeder een actieve rol als ouder op afstand kan innemen en de vader het eenhoofdig gezag behoudt.
Bij beschikking van 10 juni 2021 heeft het hof de beschikking van de rechtbank van 20 februari 2020 bekrachtigd en het meer of anders verzochte afgewezen. In zijn beschikking heeft het hof in rov. 3.10 in aanmerking genomen dat LJ&R het in het belang van de kinderen acht dat de vader voortaan alleen het gezag heeft. Ten aanzien van de processuele positie van LJ&R overwoog het hof in rov. 3.11:
“Het hof is van oordeel dat de GI als informant moet worden aangemerkt en niet als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1, eerste volzin, Rv. De GI is betrokken en heeft weliswaar een belang, maar dat belang moet worden geduid als een afgeleid belang; de GI wordt niet rechtstreeks in haar belang getroffen door onderhavig geschil tussen de ouders omtrent een wijziging van het gezag.
De wijze waarop de GI in onderhavige procedure is betrokken, blijft daarom ongewijzigd.”
Tegen de beschikking van het hof is geen gewoon rechtsmiddel aangewend.