JOR 2018/254 - Hoge Raad, 23-03-2018, ECLI:NL:HR:2018:424, ECLI:NL:PHR:2017:1593, 17/01478 (met annotatie van prof. mr. N.E.D. Faber)
ECLI:NL:HR:2018:424, datum uitspraak 23-03-2018, publicatiedatum 23-03-2018
ECLI:NL:PHR:2017:1593, datum uitspraak 13-10-2017, publicatiedatum 23-03-2018
Aflevering 10, gepubliceerd op 16-10-2018 met annotatie van prof. mr. N.E.D. Faber en mr. N.S.G.J. VermuntPrejudiciële beslissing, Verificatie van vorderingen op grond van beding in kredietovereenkomsten, inhoudend dat schuldeiser recht heeft op vergoeding van advocaatkosten in geval van event of default, Beding strekt tot schadevergoeding en is geen vordering die tijdens faillissement uit duurovereenkomst is ontstaan, Fixatiebeginsel, Vorderingen die zijn ontstaan tijdens faillissement of daaraan voorafgaande surseance, komen niet voor erkenning in aanmerking, Die vorderingen moeten echter wel worden erkend indien en voor zover zij besloten lagen in ten tijde van ingaan van dat faillissement of die surseance reeds bestaande rechtspositie van de schuldeiser, zodat geen sprake is van uitbreiding van aanspraken die in strijd komt met het fixatiebeginsel, ongeacht of ontstaan of omvang van vordering op moment van ingaan van de surseance nog niet zeker was, Verwijzing naar HR 27 mei 1988, NJ 1988/964 (Amro/Den Hollander q.q.); HR 11 juli 2014, «JOR» 2015/175, m.nt. NEDF en Vermunt (Berzona); HR 19 april 2013, «JOR» 2013/224, m.nt. Boekraad (Koot Beheer/Tideman q.q.) en (tevens samenhang met) HR 24 november 2017, «JOR» 2018/188, m.nt. NEDF (Credit Suisse/Jongepier q.q.), Vervolg op Rb. Amsterdam 28 december 2016 en 22 maart 2017, «JOR» 2017/145, m.nt. Van Zanten