Heffing | Precariobelasting
ECLI:NL:PHR:2018:778, datum uitspraak 28-06-2018, publicatiedatum 13-07-2018
Aflevering 2018, gepubliceerd op 31-12-2018 Precariobelasting. Economisch eigenaar van het netwerk is als netbeheerder belastingplichtig op grond van artikel 3, tweede lid, van de Verordening.Belanghebbende exploiteerde en beheerde als netbeheerder de onder, op of boven de gemeentegrond aanwezige netten die worden gebruikt voor het transport en de levering van elektriciteit en gas, aan huishoudens en bedrijven binnen het grondgebied van de Gemeente. Belanghebbende is economisch eigenaar van deze netten.Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Verordening wordt āter zake van buizen, kabels, draden of leidingen ter zake waarvan op grond van de Gaswet of de Elektriciteitswet een netbeheerder is aangewezenā, precariobelasting geheven āvan de door de minister aangewezen netbeheerderā. Blijkens artikel 3, tweede lid, van de Verordening wordt āin alle andere gevallen (ā¦) de precariobelasting geheven van degene die de buizen, kabels, draden of leidingen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel van degene ten behoeve van wie dat voorwerp of die voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijnā.In cassatie stelt belanghebbende dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat zij belastingplichtig is op grond van artikel 3, tweede lid, van de Verordening.Het gaat nu met name om de uitleg en reikwijdte van de in artikel 3, tweede lid, van de Verordening staande bewoordingen āin alle andere gevallenā.Belanghebbende gaat ervan uit dat de bewoordingen āin alle andere gevallenā als bedoeld in artikel 3, tweede lid van de Verordening alleen zien op de situatie dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van het eerste deel van artikel 3, eerste lid, van de Verordening.Naar mening van de A-G slaat āin alle andere gevallenā terug op zowel het eerste als het tweede deel van artikel 3, eerste lid, van de Verordening. Dus indien de precariobelasting niet kan worden geheven van de door de minister aangewezen netbeheerder, wordt toegekomen aan het tweede lid. De A-G wijst daarbij op het volgende.Op grond van de in 2013 geldende tekst van artikel 228, eerste lid, van de Gemeentewet, kan āter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, (ā¦) een precariobelasting worden gehevenā.Blijkens de tekst van artikel 3, tweede lid, van de Verordening, is daarin aangesloten bij artikel 228, eerste lid, van de Gemeentewet. Artikel 3, tweede lid, van de Verordening luidt:ā2. In alle andere gevallen wordt de precariobelasting geheven van degene die de buizen, kabels, draden of leidingen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel van degene ten behoeve van wie dat voorwerp of die voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn.āArtikel 228, eerste lid, van de Gemeentewet is essentieel. Het is de formele basis voor het kunnen heffen van precariobelasting. Dit artikel voorziet in het (wel) heffen van precariobelasting ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. Dat geeft volgens de A-G richting aan de hier toe te passen, wetshistorische en wetssystematische, interpretatie. Naar mening van de A-G heeft het Hof aldus terecht in casu de (kennelijke) bedoeling van de gemeentelijke wetgever laten prevaleren, door belanghebbende, als economisch eigenaar, op grond van artikel 3, tweede lid, van de Verordening, als belastingplichtige aan te merken.De economische eigenaar dient aangemerkt te worden als de belastingplichtige, nu die ādegene is die bij die netwerken rechtstreeks belang heeft, welk belang uitgaat boven het belang van de juridische eigenaren.De door belanghebbende voorgestane uitleg zou kunnen neerkomen op een structurele vrijstelling van de precariobelasting voor netbeheerders die niet door de minister zijn aangewezen, dus voor de regionale netbeheerders. Dat is naar het oordeel van de A-G noch in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever, zoals die destijds was, noch met die van de gemeentelijke regelgever.Naar het oordeel van de A-G moet een en ander betekenen dat het Hof de Verordening terecht zo heeft uitgelegd dat belanghebbende valt onder de āandere gevallenā en dat zij op grond van artikel 3, tweede lid, van de Verordening belastingplichtig is voor de precariobelasting en concludeert tot ongegrond verklaring van het beroep in cassatie.