Heffing | Rioolheffing van eigenaar recreatiebungalow op een recreatiepark
ECLI:NL:GHDHA:2020:1327, datum uitspraak 14-07-2020, publicatiedatum 29-07-2020
Aflevering 2020, gepubliceerd op 31-12-2020 Rioolheffing eigenaren per (voor verhuur bestemde) recreatiebungalows op recreatiepark gemeente Noordwijk. In geschil was of de Verordening rioolheffing 2017 onverbindend is wegens strijd met art.228a, lid 1, Gemeentewet, omdat de geraamde heffingsopbrengst voor 2017 hoger zou zijn dan de geraamde kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan de zogenoemde waterketen- en watersysteemtaken. De geraamde baten gaan – zo oordeelt het Hof - de lasten verbonden aan die taken echter niet te boven. De heffingsambtenaar heeft inzicht verschaft in de ramingen, heeft nadere gegevens verstrekt en de door belanghebbende geuite twijfel over toerekening van overheadkosten en rente, dotatie aan vervangingsvoorziening, stijging tarief weggenomen. Belanghebbende heeft daartegenover niet aannemelijk gemaakt dat in redelijkheid niet tot dotatie, tariefstijging, toerekening van overheadkosten en rente kon worden besloten. Voorts was in geschil of de aanduiding van het belastingobject in de Verordening rioolheffing 2017 onverbindend is. De gemeente Noordwijk hanteert bij de aanwijzing van het belastingobject in de rioolheffing voor recreatieterreinen niet de objectafbakening op grond van de Wet WOZ, maar merkt de opstallen die op een recreatieterrein staan - ook al behoren zij tot een zogenoemd ‘recreatiesamenstel’ in de zin van artikel 16, onderdeel e, van de Wet WOZ - aan als aparte percelen, ongeacht wie de eigenaar is van het terrein en of die eigenaar tevens de gebruiker is. Het Hof verwerpt de stellingen dat deze aanwijzing van het belastingobject in art 4, lid 2, tweede zinsdeel, vanaf “met dien verstande dat”, van de Verordening 2017 onverbindend is wegens strijdigheid met de wet, met name art. 16 Wet WOZ, en het verbod van onredelijke en willekeurige belastingheffing. De gemeente is gebleven binnen de ruime vrijheid die door de wetgever is toegekend. Verder is er voor de regeling een objectieve en redelijke rechtvaardiging, namelijk dat woningen die behoren tot een recreatiesamenstel in de zin van art. 16, onderdeel e, Wet WOZ voor de toepassing van de rioolheffing niet anders worden behandeld dan woningen die niet tot een dergelijk samenstel behoren. Daaraan doet niet af dat het profijt dat de eigenaren en gebruikers van woningen die tot een recreatiesamenstel behoren, kunnen hebben van de mogelijkheid om te lozen op de gemeentelijke riolering afwijkt van het profijt dat eigenaren en gebruikers van niet tot een dergelijk samenstel behorende woningen kunnen hebben. De rioolheffing is een bestemmingsbelasting waarvan de hoogte niet is afgestemd op het individuele profijt dat de belastingplichtigen hebben bij de collectieve voorzieningen die met de opbrengst van de bestemmingsheffing worden bekostigd.