WOZ | Waarde hotel-restaurant
ECLI:NL:GHDHA:2021:56, datum uitspraak 19-01-2021, publicatiedatum 28-01-2021
Aflevering 2021, gepubliceerd op 31-12-2021 De heffingsambtenaar heeft de marktwaarde van de onroerende zaak - een hotel-restaurant - bepaald op € 12.350.000 door de “Gross Operating Profit” (GOP) van het uitgeoefende bedrijf te vermenigvuldigen met een “multiplier” en de uitkomst (“de waarde van het hotelbedrijf”) te verminderen met de waarde van de goodwill en de roerende zaken alsmede de verwervingskosten. De Rechtbank heeft de waarde schattenderwijs verminderd tot € 8.750.000. Het Hof stelt in het hoger beroep van beide partijen voorop dat het uitsluitend toetst of de door de heffingsambtenaar voorgestane waarde en, indien het Hof aan de toetsing van de door belanghebbende verdedigde waarde toekomt, de door belanghebbende verdedigde waarde, de toetsing aan het wettelijke waardebegrip doorstaan (vergelijk HR 29 november 2000, nr. 35797, ECLI:NL:HR:2000:AA8610). Gaat het om de marktwaarde van een onroerende zaak, dan is de enige toetssteen voor de rechter dus het bepaalde in artikel 17, lid 2, van de Wet WOZ. Ongeacht op welke manier de heffingsambtenaar de marktwaarde van de onroerende zaak bepaalt, mag van hem verwacht worden dat dat hij de door hem bij die bepaling gebruikte variabelen onderbouwt met in het geding gebrachte marktgegevens of andere objectieve gegevens. Indien hij bij de onderbouwing van de door hem voorgestane marktwaarde (mede) gebruik maakt van aannames en keuzes, dient hij zorg te dragen voor de inzichtelijkheid en controleerbaarheid daarvan. De onderbouwing van een belangrijke variabele in de bepaling van de marktwaarde door de heffingsambtenaar – de multiplier – voldoet niet aan deze eisen. Reeds hierom heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat de heffingsambtenaar niet is geslaagd in zijn bewijslast met betrekking tot de door hem voorgestane marktwaarde. De (taxateur van de) heffingsambtenaar heeft ook nagelaten de door hem bij de bepaling van de gecorrigeerde vervangingswaarde gebruikte aannames over de bouwkosten per m2, de verdeling van de bouwkosten over de ruwbouw, afbouw en installaties, de technische levensduren van de ruwbouw, afbouw en installaties, met inbegrip van de door hem toegepaste verlenging van de technische levensduren van de afbouw en de installaties, de restwaarden, het ontbreken van een correctie wegens functionele veroudering, de toerekening van 49.815 m2 grond aan de onroerende zaak en de rekenprijzen per m2 grond te onderbouwen. Gelet hierop heeft de heffingsambtenaar niet aannemelijk gemaakt dat de door hem voorgestane gecorrigeerde vervangingswaarde niet te hoog is. Belanghebbende is er niet geslaagd aannemelijk te maken dat de door haar voorgestane (markt)waarde van € 6.650.000 niet te laag is. Zowel afzonderlijk als tezamen schieten de 6 waardeberekeningen, die belanghebbende heeft overgelegd, tekort als onderbouwing van de door haar voorgestane waarde. Omdat geen van beide partijen erin is geslaagd het van haar verlangde bewijs te leveren, bepaalt het Hof de waarde van de onroerende zaak op waardepeildatum schattenderwijs. Het Hof ziet, alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, geen reden af te wijken van de door de Rechtbank geschatte waarde van de onroerende zaak van € 8.750.000. Het Hof neemt de beslissing van de Rechtbank dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor een proceskostenvergoeding, omdat de gemachtigde van belanghebbende in dienst is bij Y B.V., die volgens de Rechtbank aan belanghebbende is gelieerd, niet over. Onder verwijzing naar HR 8 november 2002, nr. 37199, ECLI:NL:HR:2002:AF0078 veroordeelt het Hof de heffingsambtenaar in de kosten van rechtsbijstand die belanghebbende in bezwaar, beroep en hoger beroep heeft gemaakt.